Er kunnen heel wat tips gegeven worden om de taal en communicatie van je kind te bevorderen. Ouders spelen immers een heel belangrijke rol in de taalontwikkeling. Enkele tips:
- Met je baby kan je klanken oefenen door bijvoorbeeld zijn handje tegen je mond te houden en te blazen, door zelf klik-klakgeluiden te maken of door te tokkelen op je lippen.
- Je kan de dingen die je ziet bij je kind benoemen. Als je baby bijvoorbeeld lacht, kan je zeggen: “Oh, ben je blij?” Of als je peuter zich kwaad maakt, kan je zeggen: “Nu zie je er echt boos uit, hoor!”
- Dingen aanwijzen en benoemen zal je kind stimuleren. Wanneer je bijvoorbeeld met je baby op de arm rondloopt, kan je dingen aanwijzen en een naam geven: “Kijk, een poes!” Je kan ook de aandacht van je peuter vestigen op iets wat in de omgeving gebeurt: “Kijk, de postbode is daar.”
- Praat gerust tegen je baby. Hij zal niet alles begrijpen, maar je stem, je woorden horen is heel belangrijk en leerzaam voor hem. Ook bij peuters en kleuters is het belangrijk om veel met hen te praten.
- Praat duidelijk, misschien zelfs ietsje overdreven, en maak eenvoudige zinnen.
- Je kind imiteert graag, ook taal. Het zal je spreekritme, de woordenschat en de taal op zich nabootsen. In het begin kan je je kind gerust zijn eigen babywoordjes laten gebruiken. Zelf alles met de juiste woorden benoemen is aan te raden. Anders leert je kind woorden die het daarna weer moet afleren. Wordt je kind wat ouder, gebruik dan zeker de juiste woorden. Je kan dit doen zonder je kind het gevoel te geven dat het wordt gecorrigeerd. Zegt je kind bijvoorbeeld: “Vuile pop wassen”, dan is een stimulerend antwoord: “Is je pop vuil en ga je haar nu wassen?” De vraagvorm is namelijk een heel positieve manier om met je kind te praten.
- Belangrijk is om te luisteren naar je kind. Reageren op wat het vertelt, ook al versta je niet alles, is positief voor hem.
- Straf je peuter niet als hij iets fout zegt. Je kan hem wel helpen door het juiste woord te zeggen. Belangrijk is dat je peuter plezier heeft in het spreken. Hij mag nog fouten maken.