Het is normaal dat je als ouder vragen hebt over de opvoeding van je kind. Iedereen twijfelt er wel eens over of hij “goed bezig” is. Vaak kan je met je vragen en twijfels terecht bij familie, vrienden of buren. In dit luik van de website geven we heel wat tips rond verschillende opvoedingsthema’s.
Steunen, stimuleren, sturen
Opvoeding is een voortdurende wisselwerking tussen kind, ouders en omgeving. Elke opvoeding verloopt anders. Maar in elke opvoeding zijn drie zaken belangrijk: steunen, stimuleren en sturen.
- Je steunt je kind door het te geven wat het nodig heeft: zorg, warme aandacht, aanmoediging, kleding, een dak boven het hoofd, enz. Kinderen hebben ondersteuning nodig. Zo weten ze dat je hen als ouder graag ziet en hierdoor krijgen ze zelfvertrouwen.
Bijvoorbeeld: - Reageer als je baby nood heeft aan eten, rust, verzorging en nabijheid. Troost je baby als hij zich niet goed voelt en kijk na wat hij nodig heeft. Eten, een droge luier, even vastpakken en wiegen...
- Beloon je kind bijvoorbeeld door te zeggen: “Wat ben je flink: je hebt papa goed geholpen in de tuin.”
- Je stimuleert je kind om nieuwe dingen te leren en om op ontdekking te gaan. Je kan je kind aanmoedigen om te spelen, te praten, vrienden te maken, grote en kleine problemen op te lossen, enz. Zo worden ze vlugger zelfstandig. Als je je kind een lieve opmerking geeft wanneer het zich aan je regels houdt, zal het gestimuleerd worden om zich in de toekomst aan die regels te blijven houden.
Bijvoorbeeld: - Als ouder geef je je baby iets om naar te kijken, je praat tegen hem, lacht en brabbelt mee. Zo gaat de baby zich niet vervelen. Als je baby gaat rollen, kruipen, rechtstaan of lopen, help hem dan een handje.
- “Flinke meid, je hebt je voetjes mooi afgeveegd als je binnenkwam!” Zo stimuleer je je kind om zich in de toekomst opnieuw aan die regels te houden.
- Je stuurt je kind door leiding te geven. Je zegt wat je verwacht, je stelt grenzen en stuurt bij wanneer je kind in de verkeerde richting loopt. Je kind heeft grenzen nodig om te leren wat kan en wat niet kan.
Bijvoorbeeld: - In het begin krijgt je baby 's nachts nog te eten als hij erom vraagt. Door 's nachts minder aandacht te geven aan je baby (niet spelen, geen licht aandoen, enz.) leer je hem dat de nacht er is om te slapen. Overdag geef je wel veel aandacht aan je baby. Op de duur slaapt je baby 's nachts door.
- “Ik wil dat je je speelgoed opruimt als je stopt met spelen”. Zo weet je kind wat jij verwacht.
Het samenspel van steunen, stimuleren en sturen vind je terug in elke dagelijkse opvoedingssituatie. Een voorbeeld:
- Wanneer het bedtijd is voor je kind, kan je als ouder zeggen: “Als de wijzer boven staat, is het bedtijd”. Hiermee geef je je kind een grens aan: je zorgt voor sturing. Je kan ook vragen om eerst nog de blokken op te ruimen. Met deze vraag zorg je ook voor sturing. Je kan ook zelf helpen opruimen. Zo leert je kind hoe het moet. Je stimuleert je kind om zelf te leren opruimen. Je kan het ook aanmoedigen: “Kijk hoe goed jij al kan opruimen!” Zo steun je je kind. Voor het slapengaan kan je nog een verhaaltje voorlezen, knus met je kind tegen je aan. Hier stuur je door je kind te belonen voor zijn goed gedrag (het ruimt zijn blokjes op en gaat slapen als het tijd is). Je stimuleert het ook door een verhaaltje aan te bieden. Tegelijk steun je je kind door het warme aandacht te geven.
Pnina Klein en positief ontwikkelen
Pnina Klein, een opvoedingsdeskundige, reikt vijf "kapstokken" aan die de kwaliteit van de relatie tussen ouder en kind kunnen verbeteren en de ontwikkeling van je kind kunnen stimuleren.
Meer informatie over het positief ontwikkelen.