Schedel
Sinds de maatregelen rond veilig slapen geïntroduceerd zijn en baby's daardoor enkel op de rug te slapen worden gelegd, bestaat de indruk dat steeds meer kinderen een afplatting of andere misvorming van het hoofd vertonen. We spreken dan van een schedelmalformatie of positionele plagiocephalie. Het toepassen van onderstaande eenvoudige adviezen zijn, vooral tijdens de eerste weken, zeer belangrijk om een toename van de malformatie tegen te gaan.
Slapen
Slaaphouding = rugligging; wakker = op de buik!
Vanaf de eerste dagen moet een wakker kind (onder toezicht) in buikligging gelegd worden gedurende korte periodes, zodat de motoriek zich goed kan ontwikkelen. Geleidelijk kunnen deze periodes verlengd worden, zodat het kind eraan went en actiever wordt in buikligging.Tijdens de slaap wordt een wisselhouding van het hoofd aanbevolen. Het hoofd wordt dan door de ouder voorzichtig gedraaid, zodat het achterhoofd niet continu onder druk staat. Dit kan bijvoorbeeld door bij elke slaapperiode het hoofd naar een andere kant te draaien.
Door regelmatig de visuele en auditieve prikkels van richting te wijzigen, draait een kind zijn hoofd niet altijd naar eenzelfde kant. Dat kan door het bed regelmatig van plaats te veranderen of door het kind in de andere richting in bed te leggen. Als een kind wakker wordt, draait het immers vaak het hoofd naar het licht.
Verzorging
Vaak dragen of voeden ouders een kind altijd op dezelfde arm. Het is belangrijk om regelmatig van houding te wisselen.
Mobiliseer de nek regelmatig, bijvoorbeeld bij elke verluiering of verzorging. Dit kan spelenderwijs gebeuren door visuele en auditieve prikkels vanuit verschillende richtingen aan te bieden.
|
|
|
|
|
|
|
|
Voeding
Bij borstvoeding verwissel je automatisch de baby van positie aangezien je de baby afwisselend aan de ene en aan de andere borst voedt. Als je flesvoeding geeft, kan je best de baby ook afwisselend op de ene arm en de andere arm voeden.
|
|
Dragen
- Verwissel regelmatig van houding.
Als een baby gedragen wordt met het gezicht naar je toe, zorg dan dat de armpjes naar elkaar gebracht zijn. Met de ene hand ondersteun je de schouders en met de andere het zitvlak.
|
|
![]() |
|
Spelen
Wissel een baby geregeld van positie als hij wakker is.
Leg een baby af en toe op de zij met een opgerolde handdoek in zijn rug. De handdoek mag het hoofdje niet raken.
|
|
- Maak geen randbeschermers vast aan de speelbox. Die belemmeren het zicht en een baby vindt het juist leuk om rond te kijken.
Plaats af en toe een babygym over de baby. Dit is een goede oefening voor armpjes en beentjes.
|
|
Speel geregeld met de baby op een speelmat.
Ga voor de baby staan en breng de handjes en voeten naar elkaar toe. Gebruik daarbij eventueel speelgoedjes met geluid en felle kleuren.
Maak kleine duw- en fietsbewegingen met de beentjes van de baby. Leg hem daarvoor op de rug en leg je handpalmen op zijn voetzooltjes.
|
|
Een baby met steun laten zitten op een leeftijd waarop hij nog niet alleen kan zitten, wordt afgeraden, omdat de rompspieren nog niet rijp zijn.
Houding
Een baby vroeg op de voeten laten steunen, wordt afgeraden, omdat daardoor de ontwikkeling van de coördinatie en de beweeglijkheid op andere vlakken wordt tegengewerkt.
Vervoer
Een draagbaar autostoeltje (zitschelp) mag uitsluitend gebruikt worden voor het veilig vervoer van een baby en niet als wandelwagen of als zitje overdag. De baby zit in een gewrongen houding en te lang hierin zitten, belemmert zijn beweging.
Zorg dat een kind in een autostoel mooi gesteund in het midden zit. De eerste weken kan je in een draagbaar autostoeltje eventueel gebruik maken van een verkleinkussen.
Hou bij een lange autorit zeker om de 2 uur een pauze. Neem de baby telkens uit de reiswieg of autostoel, hou hem een tijdje op je schoot of arm en laat hem eventueel op een dekentje liggen, zodat hij zich vrij kan bewegen.
Opgelet!
Doorverwijzen naar de behandelend arts is nodig:
wanneer de deformatie sterk uitgesproken is, dus bij uitgesproken afplatting en/of voorwaartse verplaatsing van het oor;
wanneer tijdens de eerste twee maanden de toestand duidelijk verslechtert ondanks eenvoudige adviezen;
wanneer er bij een kind met afwijkingen op de leeftijd van 4 à 5 maanden geen duidelijke verbetering optreedt.
De verdere aanpak wordt bepaald door de behandelend arts.









