Urinewegen
Het zindelijk worden is een ontwikkelingsfase die elk kind doormaakt. Heel wat factoren kunnen een invloed hebben op het zindelijk worden. Wanneer er problemen zijn in die ontwikkelingsfase, is het belangrijk om na te gaan wat de oorzaak ervan zou kunnen zijn.
Zindelijkheidsproblemen
topKenmerken van het kind
Soms ontstaat het zindelijkheidsprobleem door een bepaalde factor, maar kan aanhouden als gevolg van een andere factor. Het kind kan bijvoorbeeld pijn hebben wanneer het plast door een infectie van de urinewegen, maar kan ook bang zijn voor het toilet of potje. Deze combinatie kan tot gevolg hebben dat het kind meer moeite heeft om zindelijk te worden.
De volgende kenmerken van het kind kunnen het zindelijk worden beïnvloeden:
- Leeftijd en ontwikkelingsniveau bepalen het zindelijk worden van een kind.
- Een kind wordt zindelijk wanneer het in staat is om bewust aan te voelen wanneer er plas en stoelgang aanwezig is, die even kunnen op houden om dan op een geschikt moment en plaats te evacueren. Zowel motore, cognitieve, verbale als gedragsfactoren spelen hierin een rol.
- Op de leeftijd van 30 maanden zijn heel wat normaal ontwikkelende kinderen niet zindelijk.
- Tot de leeftijd van 7 jaar is het niet abnormaal dat een kind nog in bed plast.
- Tijdens de koppigheidsfase (vanaf 1,5 jaar) zal de peuter altijd ‘nee’ zeggen, omdat hij daarmee zijn eigen wil kan tonen. Hij zal ook vaak ‘nee’ zeggen wanneer hij op het potje hoort te gaan.
Sommige peuters of kleuters zijn angstig om te plassen. Ze zijn bv. bang voor het toilet of hebben angst om zich te ontspannen.
Eigenheid
- Het is voor elk kind belangrijk dat niets geforceerd verloopt en voldoende rekening gehouden wordt met de ontwikkeling van het kind zelf.
Bijvoorbeeld: een angstig kind kan meer moeite hebben om op het potje of op de wc te plassen. Alles is nieuw en mogelijks angstaanjagend. Geef het kind de tijd om daaraan te wennen.
Erfelijke factoren
Erfelijke factoren zijn de meest frequente oorzaak van zindelijkheidsproblemen. Op wat latere leeftijd bedplassen keert vaak terug bij het vragen naar de zindelijkheidsontwikkeling bij de ouders zelf.
Lichamelijke of medische oorzaken
- Bijvoorbeeld: pijn bij het plassen, beginnende ziekte: wanneer het kind net bezig is met zindelijk worden kunnen deze het proces vertragen.
- Bij sommige hormonale ziekten bestaat een te grote nachtelijke urineproductie; deze ziekte kan tot uiting komen toevallig op het ogenblik van de zindelijkheidsontwikkeling.
- Verwerking van ingrijpende ervaringen, van verdriet, ...
- Bijvoorbeeld: geweld, een nieuw broertje of zusje.
- Wanneer het kind net in de ontwikkelingsfase zat, zal het wat afgeremd worden; eens een kind echt zindelijk is zullen deze zaken het kind niet terug niet-zindelijk maken.
Kenmerken van de ouder
De ouder heeft een belangrijke invloed op het zindelijk worden van het kind. De volgende kenmerken van de ouder en de omgang tussen ouder en kind kunnen net als andere ontwikkelingsfasen het zindelijk worden beïnvloeden.
- Voldoende aandacht voor signalen vanwege het kind.
- Persoonlijke problemen van (één van) de ouders.
- Problemen in het gezin: huwelijksproblemen, stress, ...
- De verwachtingen als ouder over het zindelijk worden van het kind. Verwacht de ouder bijvoorbeeld dat een peuter van 2 jaar elke dag en nacht droog blijft? Is dat realistisch?
Welke gewoonten rond zindelijkheid houdt de ouder er voor zijn kind op na?
Voorziet deze in een regelmatige structuur voor het kind (bijvoorbeeld op het potje gaan telkens na het eten en voor het slapengaan. Beloont de ouder het kind als het iets in het potje doet?).
Kenmerken van de omgeving
- Het is de bedoeling dat het kind leert op het toilet te gaan zoals ouders dat doen: op een rustige plaats, op een rustig moment.
- Spanning en opwinding rond het ‘plasgebeuren’ hebben een negatieve invloed (bijvoorbeeld: ruzie in huis, drukte in de omgeving van het potje).
- Gebrek aan steun van familie, vrienden, buren, ... is nadelig.
- Druk vanuit omgeving werkt averechts: ouders, opvang, kleuterschool.
- Een ingrijpende gebeurtenis heeft invloed (een ziekenhuisopname, een verhuizing, ...)
- Een druk dagschema met weinig aandacht en geen ruimte voor regelmaat.
- Het kind heeft geen ‘voorbeelden’: het ziet nooit andere kinderen die ook op het potje gaan.
Cryptorchidie
topCryptorchidie is het niet ingedaald zijn van minimum 1 van de testikels in het scrotum. Dit komt voor bij 2 tot 9% van de pasgeborenen. Door spontane indaling tijdens de eerste 6 maanden daalt het cijfer beduidend de eerste levensmaanden.
De afwijking kan uni- of bilateraal (eenzijdig of langs beide zijden) voorkomen. De niet ingedaalde testikel kan palpabel (voelbaar) of niet palpabel zijn.
Cryptorchidie kan aangeboren zijn; hierbij is de testikel (testis) nooit ingedaald geweest en bevindt zich in de buikholte of in of buiten het indalingstraject. Bij de verworven vorm lag de testikel aanvankelijk scrotaal maar is binnen de eerste 2 jaar hoger dan het scrotum gaan liggen.
Er bestaan verschillende vormen:
- Afwezigheid van testikel(s) (agenese of atrofie).
- Ectopische testikel: kan in buikholte aanwezig zijn en is daardoor niet palpabel.
- Retractiele testikel: deze kan bij voorzichtige palpatie tot in het scrotum gebracht worden maar keert terug naar het lieskanaal.
Opgelet! Vroegtijdige opsporing is belangrijk omdat een niet-ingedaalde testikel geassocieerd wordt met verminderde fertiliteit (vruchtbaarheid) en een verhoogd risico op teelbalkanker.
De diagnose wordt klinisch gesteld door voorzichtige palpatie door een ervaren onderzoeker. Bij vaststellen of vermoeden van cryptorchidie wordt uiterlijk op de leeftijd van 6 maanden verwezen voor behandeling.
Omdat de verworven vorm later ontstaat is onderzoek op 24 maanden aangewezen.
Omdat cryptorchidie in combinatie met andere (urogenitale en/ dysmorfe) afwijkingen kan voorkomen, moet een goed klinisch onderzoek gebeuren.
Hypospadias
topHypospadias is een onvolledige ontwikkeling van de urethra waardoor de meatus (urethrale opening) op een verkeerde plaats ligt. Deze bevindt zich niet op de top van de penis maar meer ventraal, tot ter hoogte van het scrotum of het perineum.
Hypospadias kan gepaard gaan met ventrale kromming van de penis en afwijking van het preputium (voorhuid).
De laatste jaren bestaat een stijgende trend in het voorkomen van deze afwijking in Westerse landen. Het komt nu voor bij 1/300 mannelijke geboorten.
Klinisch ondervindt het kind problemen bij het urineren en later bij seksuele activiteit.
De diagnose kan bij de geboorte gesteld worden. Omdat deze afwijking kan voorkomen in combinatie met andere afwijkingen en met afwijkende seksuele differentiatie, dient vroegtijdige diagnose en verwijzing via de behandelend arts naar een gespecialiseerd team te gebeuren. De ideale leeftijd voor operatieve ingreep is tijdens het eerste levensjaar. De prognose is afhankelijk van de graad van afwijking en associaties met andere stoornissen.
