Opvolging van de ontwikkeling
Tijdens elk contact onderzoeken de regioverpleegkundige en/of arts de ontwikkeling van het kind. Met het Van Wiechenonderzoek gebeurt dit op een gestandaardiseerde wijze.
De arts en/of regioverpleegkundige informeren bij de ouder(s) naar de gedragsontwikkeling van het kindje. Soms zal de arts met eenvoudig materiaal (bv. blokjes, een bal of een boekje) zelf een bepaald gedrag bij het kindje uitlokken om na te gaan hoe ver de ontwikkeling staat.
De arts zal zijn bevindingen in het medisch dossier noteren en telkens met de ouder(s) bespreken.
Het is de bedoeling om de ouder te betrekken en te ondersteunen bij de ontwikkeling van het kind en om eventuele ontwikkelingsproblemen op te sporen in een vroeg stadium.
Er wordt op een zeer nauwkeurige wijze gekeken of een kind iets kan en hoe. Een kind kan bv. wel zitten, maar als het daarbij ‘doorzakt’, moet dat aspect verder opgevolgd worden. De wijze waarop een kind iets doet, is dus minstens even belangrijk als het wel of niet doen.
Als de arts oordeelt dat een kindje zich duidelijk te traag ontwikkelt, dan zal hij doorverwijzen naar de behandelend arts.
Het Van Wiechenschema brengt op vaste leeftijdsmomenten de 5 ontwikkelingsdomeinen in kaart. De arts kijkt het kind na op:
fijne motoriek: bewegen van handen en vingers in combinatie met kijken
bv. naar een speeltje kunnen grijpen en het vastpakken, ...grove motoriek
bv. hoofd optillen in buikligging, kunnen omrollen, zitten, kruipen, …communicatie
bv. reageren op een lach, begrijpen van woorden, …adaptatie: oplossen van problemen
bv. vormpjes in een vormenstoof of een vormpje in de juiste puzzelvorm steken, …persoonlijkheid en sociaal gedrag
bv. spelletjes meespelen, een eigen wil tonen, …
Indien nodig, verwijst de arts van het consultatiebureau door naar de behandelend arts.
Ongerustheid
Het gebeurt dat een kind vergeleken wordt met andere kinderen (bv. broers of zussen). Sommige verschillen kunnen verontrustend zijn. Bespreek je ongerustheid met de behandelend arts of verpleegkundige. Zij onderzoeken of er al dan niet problemen zijn.
De begeleider in de kinderopvang zal eerst de ouders aanspreken als hij zich zorgen maakt over de ontwikkeling bij een kind.
Problemen in de ontwikkeling
Het is belangrijk om problemen tijdig op te merken. Zo kan het kind tijdig extra ondersteund worden.
Er bestaan verschillende centra voor ondersteuning bij ontwikkelingsproblemen. Ze verschillen in wat ze aanbieden (enkel onderzoek of ook begeleiding), hun specifieke deskundigheid (bv. vooral taal en communicatie, algemene ontwikkeling, autisme, …), hun wachtlijsten en de vergoeding die ouders betalen.
Moeilijkheden bij een kind kunnen beangstigend zijn. Voor veel mensen is het een steun om hun ervaringen te bespreken met iemand die ze vertrouwen.
