Kinkhoest


Kinkhoest moet door de behandelende arts of de betrokken microbioloog gemeld worden aan de Infectieziektebestrijding van Zorg en Gezondheid.

Wat is het?

  • Kinkhoest is een zeer besmettelijke ziekte van de luchtwegen en wordt gekenmerkt door hevige en aanhoudende hoestbuien.
  • Kinkhoest wordt veroorzaakt door de bacterie Bordetella pertussis. Deze bacterie leeft in de mond, de neus en de keel van een besmet persoon.
  • Kinkhoest treft vooral jonge kinderen. Kinderen jonger dan 1 jaar zijn gevoeliger voor ernstige complicaties, vooral als ze (nog) niet (volledig) gevaccineerd zijn.
  • Kinkhoest kan leiden tot oog- en neusbloedingen, voedingsmoeilijkheden, zuurstofgebrek door de hoestbuien, long- en oorontsteking, stuipen, hersenletsel en overlijden.

Kinkhoest komt de laatste jaren in toenemende mate voor hoewel er een goede vaccinatiegraad is voor kinkhoest. Waarschijnlijk liggen verschillende oorzaken aan de basis van die toename: een dalende immuniteit bij volwassenen, meer aandacht voor kinkhoest, betere diagnosetechnieken 
en circulatie van bacterietypes die niet ondervangen worden door de stam die gebruikt wordt in het vaccin.

Dat de antistoffen dalen en zelfs verdwijnen 5 tot 10 jaar na de laatste kinkhoestvaccinatie werd reeds vroeger in studies aangetoond. Maar ook na het doormaken van een natuurlijke kinkhoestinfectie is een levenslange immuniteit tegen de ziekte niet gegarandeerd. Als gevolg daarvan ontstaat een groter wordende groep van adolescenten en volwassenen die onvoldoende of niet meer beschermd zijn en de ziekte zelf doormaken of ze doorgeven aan jonge zuigelingen die nog niet (volledig) gevaccineerd zijn.

Om die groep van jonge kinderen te beschermen is het belangrijk dat volwassenen zich laten vaccineren.
Voor alle volwassenen wordt de toediening van één dosis van het kinkhoestvaccin aanbevolen, ongeacht de voorgeschiedenis van een (volledige of onvolledige) kinkhoestvaccinatie, en zeker diegenen die in contact komen met zuigelingen volgens het principe van de ‘cocoonvaccinatie’ (vb. jonge of toekomstige ouders, grootouders en hun naaste familiecontacten alsook het verzorgend personeel van pediatrische diensten, materniteiten en kinderdagverblijven en onthaalmoeders van jonge kinderen).  

Cocoonvaccinatie is het vaccineren van de personen in de nabije contactomgeving van de zuigeling.
Voor iedere zwangere vrouw wordt kinkhoestvaccinatie tussen week 24 en week 32 van de zwangerschap aanbevolen, ongeacht of de vrouw voordien een herhalingsinenting kreeg. De antistoffen tegen kinkhoest die de zwangere vrouw door de vaccinatie aanmaakt, gaan via de placenta naar de foetus. Zo is de baby al van bij de geboorte beschermd tegen kinkhoest.

Symptomen

  • Het begint met een gewone verkoudheid, een loopneus, niezen, een beetje koorts en licht hoesten.
  • Binnen 2 weken wordt de hoest zwaar en volgen er hoestaanvallen, gekenmerkt door een gierende ademhaling en het ophoesten van taai slijm.
  • De aanvallen zijn 's nachts vaak erger, wat erg uitputtend kan zijn voor een kind. Ze kunnen 3 tot 4 maanden aanhouden.
  • Het hoesten bemoeilijkt vaak het eten, het drinken en het ademen voor de kinderen.
  • Kinderen kunnen erdoor braken of blauw worden door zuurstofgebrek. Hersenbeschadiging kan daarvan het gevolg zijn. Het sterftecijfer bij onbehandelde kinkhoest is hoog.
  • Volwassenen die een kinkhoestinfectie doormaken, vertonen meestal weinig specifieke symptomen. Vaak hebben ze alleen last van een hoest, die kan gaan van mild tot hevig en die lange tijd kan aanhouden (meer dan 3 weken).

Besmetting

  • De bacterie verspreidt zich via de lucht bij hoesten of niezen of door direct contact met neus- en keelslijm (snot).
  • Kinkhoest behoort tot de meest besmettelijke infectieziekten op kinderleeftijd. In de beginfase van de ziekte, waarin ze vooral bij volwassenen maar ook wel bij kinderen vaak nog niet herkend wordt, is de ziekte het meest besmettelijk. 
  • Antibiotica voorkomen verdere verspreiding van de ziekte maar genezen de zieke niet.
  • De periode tussen de besmetting en de eerste ziekteverschijnselen kan variëren van 6 tot 20 dagen.

Vaccinatie

  • De vaccinatie tegen kinkhoest is opgenomen in het vaccinatieschema van de Hoge Gezondheidsraad op de leeftijd van 8, 12 en 16 weken en op 15 maanden. Een herhaling is aanbevolen op de leeftijd van 5 à 6 jaar en tussen 14 en 16 jaar.
  • Een kind, gevaccineerd tegen kinkhoest kan na contact met een ander geval van kinkhoest een lichtere vorm doormaken.
  • Tot nu toe werden er geen belangrijke nevenwerkingen in verband gebracht met deze vaccinatie. Er zijn geen absolute contra-indicaties voor de toediening van het vaccin, tenzij de persoon een aangetoonde allergie
    voor het vaccin heeft of een ernstige reactie na een vorige toediening van het vaccin heeft vertoond.

Ook volwassenen en zwangeren laten zich best vaccineren

Verzorging en aanpak

  • Waarschuw alle ouders als er kinkhoest in de opvang is vastgesteld en vraag extra aandacht voor nog niet (volledig) gevaccineerde kinderen.
  • Wees vooral alert bij zuigelingen.
  • Vermijd contact tussen hoestende en niezende personen en ongevaccineerde baby's voor zover haalbaar.

Hygiëne bij hoesten en niezen

Verspreiding van ziektekiemen uit mond, neus en keel
  • Via zeer kleine onzichtbare vochtdruppeltjes in de lucht door hoesten en niezen
  • Via de handen door je hand voor je mond houden
  • Door direct contact met neus- en keelslijm (snot).
Tips om besmetting te voorkomen. Leer ze ook de kinderen aan. 
  • Nies of hoest niet in de richting van een ander.
  • Draai of buig je hoofd. 
  • Hou een hand of nog beter een zakdoek voor de mond bij niezen of hoesten. Eventueel niezen in je elleboog. 
  • Gebruik altijd papieren zakdoeken en gooi die meteen na gebruik weg in een afsluitbare afvalbak. 
  • Was of ontsmet de handen na niezen, hoesten of snuiten.
    • Je kan moeilijk na ieder kuchje de handen wassen of dit aan de kinderen vragen. Maak zelf een inschatting wanneer dit nodig is.
    • Meer weten over handhygiëne

Kan het kind naar de opvang?

Ja, wanneer het kind niet te ziek is. Er wordt wel aangeraden om de ouders van de andere kinderen van de opvang op de hoogte te brengen zodat ze een arts kunnen raadplegen bij symptomen. Zuigelingen verdienen hier extra aandacht.