Illustratie bij ontwikkeling, spelen

Spelen


Spelen doet een kind bewegen

  • Als een baby met zijn armen zwaait en met zijn benen trappelt, oefent hij heel intens zijn spieren.
  • Door zich in buikligging met zijn armen af te zetten, leert een baby zijn hoofd onder controle te houden, om te rollen en zijn heupen te strekken. Dit is nodig om rechtop te leren staan.
  • Als een kind kruipt, leert het vrij naar alle kanten bewegen, zijn armspieren oefenen en zijn evenwicht vinden.
  • Bij het grijpen oefent een kind zijn schouder-, hand- en vingerspieren. Zo leert het alsmaar fijnere bewegingen uitvoeren.
  • Door te lopen, te rennen en te springen, leert een kind zijn lichaamsbeweging steeds beter beheersen.

Spelen leert een kind denken

  • ‘Kiekeboespelletjes’ leren een kind mensen, gebeurtenissen en voorwerpen herkennen en onthouden.
    Bv. Een kind kan op zoek gaan naar een verborgen voorwerp of een persoon die dan plots tevoorschijn komt. Het kan ook andersom: het kindje legt een handdoek op zijn hoofd, neemt hem weg en roept ‘kiekeboe’. Die spelletjes leren het dat de dingen blijven bestaan, ook al ziet het ze niet. Dit kan het kind helpen om zijn scheidingsangst te overwinnen.
  • Als een kind een karretje aan een touwtje voorttrekt, begint het karretje te rijden. Zo ontdekt een kind het verband tussen oorzaak en gevolg. Door dit soort spelletjes krijgt het meer zelfvertrouwen: het ziet hoe het door zijn eigen inspanningen iets kan bereiken.
  • Al spelend krijgt het inzicht in wat het wel en wat het niet met een voorwerp kan doen.
    Bv. Een kleine doosje past in het grote, maar niet omgekeerd. Door de blokken op elkaar te plaatsen, kan het een hoge toren maken.
  • Door te spelen, leert een kind de eigenschappen van voorwerpen en vormloze materialen (klei, water, zand, …) kennen. Die kunnen nat, droog, warm, koud, hard of zacht zijn. Ze kunnen geluid maken, vlug stukgaan, blinken, ...
  • Als een kind nieuwe dingen ontdekt die het met een voorwerp kan uitvoeren, wordt zijn creativiteit gestimuleerd.
    Bv. Een kartonnen doos wordt een trein, het kind wordt machinist.
  • In fantasiespelletjes leert een kind denken en verbanden leggen.

Spelen leert een kind omgaan met mensen

  • Vanaf de geboorte is een baby sociaal gericht. Tijdens het getrappel met zijn benen en het gezwaai met zijn armen kijkt hij meestal intens naar de mensen rondom zich. Kijken de mensen aandachtig en praten ze met hem, reageert hij meestal met nog meer bewegingen. Tijdens dit soort spelletjes breekt meestal ook zijn eerste glimlach door.
  • Taalspelletjes helpen een kind om te leren praten. Samen zingen, versjes opzeggen, … is leuk en tegelijk leerrijk. 
  • In naboots- en fantasiespelletjes leert een kind hoe mensen met elkaar omgaan. Een kleuter bootst grote mensen na. Op die manier verplaatst hij zich in de volwassene en leert hij hoe hij zich later zal moeten gedragen in bepaalde situaties.

Spelen leert een kind wat mag en wat niet mag

  • Het is belangrijk dat een kind tijdens het spelen wordt geconfronteerd met beperkingen en duidelijke grenzen. Tekenen mag wel op een blad, niet op het behangpapier.
  • Een kind ontdekt van alles, maar leert ook dat sommige dingen niet kunnen, bv. speelgoed kapot maken, andere kinderen pijn doen, …
  • In de kleuterperiode leert een kind spelregels volgen en zich aan afspraken houden.

Als een kind altijd met hetzelfde speelt

  • Een kind kan vaak lange periodes intens met één bepaald soort speelgoed spelen. Vermoedelijk sluit dit stuk speelgoed op dat moment perfect aan bij zijn ontwikkelingsfase.
  • Een kind doet niet altijd hetzelfde met speelgoed. Blokken stapelen, bekijken, op kleur sorteren, tegen elkaar slaan, iets met blokken bouwen, …
  • De kans is groot dat een kind na een tijd uit zichzelf naar ander speelgoed grijpt. Bied af en toe iets anders aan, maar verplicht het niet om met iets anders te spelen, dat heeft geen zin.

Als een kind niet met andere kinderen speelt

Baby’s en peuters spelen nog niet echt samen. Soms spelen ze wel in elkaars buurt, maar ze zijn nog niet in staat rekening te houden met een ander. Een peuter moet eerst in staat zijn om te begrijpen dat andere mensen de dingen anders zien dan hijzelf, voor hij echt kan leren samenspelen. Hij is namelijk nog volop bezig zichzelf te ontdekken. Zijn spel draait dan ook vooral om zijn eigen behoeften.

Mogelijke oorzaken waarom een kind niet samenspeelt:

  • Het speelt nog zijn eigen spel en heeft geen behoefte aan andere kinderen.
  • Het is bang dat iedereen zijn speelgoed zal afpakken en weet niet hoe hiermee om te gaan. Het wil geen speelgoed delen.
  • Het is bang voor andere kinderen. Het begrijpt hun spel niet, begrijpt niet wat ze zeggen, het is zelf nogal stil en rustig en de andere kinderen zijn te wild.

Als een kind niet speelt

Sommige kinderen kunnen zich makkelijk zelf bezig houden. Soms speelt een kind ook even niet omdat het zich niet goed voelt, koorts heeft of ziek is. Andere kinderen lijken nooit uit zichzelf niet tot spelen te komen. Dat kan met verschillende zaken te maken hebben:

  • Misschien is het speelgoed niet aangepast aan de behoeftes van het kind zodat het geen uitdaging vormt om ermee te spelen. Het vergt wat zoeken naar speelgoed naar welk speelgoed een kind aantrekkelijk vindt: niet te gemakkelijk, niet te moeilijk, aansluitend bij de interesses en mogelijkheden, enz.
  • Continu aandacht vragen en niet alleen willen spelen hebben beide te maken met het stellen van grenzen. Grenzen geven kinderen veiligheid en zekerheid en zijn belangrijk voor een gezonde ontwikkeling van kinderen. Je kan een kind aanleren om alleen te spelen door heel consequent je grenzen aan te geven.

Ieder kind kan leren om zichzelf te vermaken. Hiervoor zijn enkele strategieën mogelijk:

  • Het kind stimuleren door zelf korte tijd mee te spelen, het kind op gang trekken en dan (eventueel met keukenwekker) aantal minuten alleen laten spelen. Hierbij is het belangrijk om duidelijke afspraken te maken hoe lang het kind alleen moet spelen en niet vroeger hieraan toe te geven.
  • Samen met het kind nadenken waarmee het zou willen spelen en hoe het daarmee wil spelen. Zo prikkel je de fantasie wat door de mogelijkheden van een stuk speelgoed te overlopen.
  • Je kan het kind zich ook een tijdje laten vervelen, zo kan het goed nadenken waarmee en hoe het wil spelen. Vaak vindt het nadien iets leuks om mee te spelen zonder jouw hulp.
  • Berg een tijdje alle speelgoed, behalve 2 stukken, op. Kinderen hebben soms moeilijk om te kiezen en zo is de keuze beperkt.

Als een kind veel ruzie maakt

Een peuter is nog niet in staat om echt samen te spelen en rekening te houden met een ander kind. Hij heeft net geleerd dat hij een eigen persoontje met een eigen wil is. Dit wil hij op alle mogelijke manieren laten zien. ‘Van mij’ is iets wat peuters goed kennen. Vaak is het ruzie omdat het ene kind speelgoed afpakt van een ander of omdat ze elkaar niet begrijpen.

Een kind leert geleidelijk aan samen te spelen. Dat kunnen ouders of begeleiders niet forceren. Speelgoed delen kan wel stap voor stap aangeleerd worden.

Als een kind het spel van een ander kind verstoort

Een peuter beseft nog niet dat een spel verstoren niet leuk is voor het andere kind. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat je hem zijn gang moet laten gaan. Stilaan kunnen ze rekening houden met anderen.

Probeer creatieve oplossingen te bedenken om elk kind rustig te laten spelen, bv. eens spelen aan de grote tafel waar broer niet aan kan.