Drift en koppigheid

In de periode van 1 1/2 tot 4 jaar ontdekt een kind zijn eigen macht en invloed op de omgeving. Alledaagse dingen die vanzelf liepen, kunnen plots veel moeilijker verlopen: het kind eten geven, jasje aantrekken, enz. Het kind antwoordt ‘nee’, op zowat alles wat het gevraagd wordt, ongeacht de wijze waarop het benaderd werd. Het kind gebruikt zijn ouders en begeleiders op dat moment als proefkonijn. Dit gedrag is volkomen normaal en positief in de ontwikkeling. Het is een teken van groeiend zelfbesef en toenemende zelfstandigheid.

Het kind botst tijdens deze periode op grenzen: lichamelijke grenzen (het lukt hem bv. niet een doosje open te krijgen), verstandelijke grenzen (hij begrijpt iets niet), grenzen gesteld door ouders of begeleiders ... Het ervaren van deze grenzen veroorzaakt driftbuien.

Dit is de ‘koppigheidsfase’ of ‘peuterpuberteit’.

Driftig of koppig gedrag zegt niet dat de peuter zijn ouders of begeleider niet graag ziet of niet meer nodig heeft. Integendeel. Hij gebruikt hen als proefkonijn omdat hij zich bij hen het veiligst voelt. Een goede band tussen een volwassene en het kind zorgt ervoor dat het kind ‘stout’ mag zijn zonder het risico te lopen om hun liefde te verliezen.

Als het je als ouder te veel wordt …

Iedereen probeert om zo goed mogelijk te reageren op het koppige en driftige gedrag van een peuter. Soms word je er moe en ongeduldig van. Het hangt van heel wat factoren af op welk moment de drift en de koppigheid van een kind een echt probleem wordt. Maar wanneer een ouder of begeleider het als een probleem ervaart, dan
is het dat ook.

Neem contact op met de behandelend arts of regioverpleegkundige.

De Kind en Gezin-Lijn

Vragen?

Ook de regioverpleegkundige van Kind en Gezin kan helpen. Bel haar via de Kind en Gezin-Lijn op 078 150 100, elke werkdag van 8 tot 20 uur.

Kind en Gezin-Lijn

Gebruiksovereenkomst Toegankelijkheidsverklaring

Vlaamse overheid