4 à 6 maanden
De voedingsreflexen gaan tussen 3 en 5 maanden over in bewuste mondbewegingen. Een baby leert meer en meer zelfstandig te drinken en eten.
Dit is de ideale periode om een baby te leren eten met een lepel. Begin niet vroeger met vaste voeding en zorg dat de start niet samenvalt met andere ingrijpende gebeurtenissen, zoals de 1ste week in de opvang of een ziekteperiode. Kies een rustig en ontspannen moment om een baby te laten wennen aan de nieuwe voedingsstructuur en smaak. Soms duurt het maar 2 weken om een baby van een lepel te leren eten, maar dit verschilt van kind tot kind. Het ene kind heeft dit al sneller onder de knie dan het andere.
Tips
Zorg dat de lepelvoeding volledig fijngemalen is.
Zorg dat de baby de lepel ziet aankomen: zo krijgt hij de tijd om zijn mond te openen.
Gebruik een klein lepeltje.
Breng het lepeltje horizontaal in de mond en druk het lichtjes op zijn tong.
Houdt de baby zijn hoofdje lichtjes voorover gebogen, dan kan hij de lepel makkelijker met de lippen leegmaken. Het is normaal dat hij een beetje morst.
Vermijd het afschrapen van de lepel langs zijn bovenlip of bovenste tandjes. De mondstreek is heel gevoelig bij een baby en hij kan dit als onaangenaam ervaren. Dit kan het leerproces vertragen en aan de basis liggen van eetproblemen. Het is normaal dat een baby het eten van de lepel afzuigt en een deel met zijn tong naar buiten duwt. Hij moet leren afhappen van een lepel, tot nu toe kende hij alleen maar ‘zuigen’. Vindt hij het lekker, dan zal hij zeker proberen om te slikken.
Goed afhappen wil zeggen dat een baby een lepel actief met zijn lippen omsluit en zijn tong achterwaarts laat bewegen.
Denk niet te snel dat een baby iets niet lust. Geef een bepaald voedingsmiddel zeker 10 à 15 keer vooraleer te besluiten dat een baby het niet lust.
Weigert een kindje door zijn lippen stijf op elkaar te houden, zijn hoofd weg te draaien of zijn rug te overstrekken, stop dan even met eten geven. Geef het een lege lepel om mee te spelen en te wennen aan het gevoel van een lepel in de mond.
Laat een baby zelf zijn eettempo bepalen en forceer zeker niet. Laat het kindje plezier beleven aan zijn maaltijd en wacht desnoods 1 à 2 weken vooraleer opnieuw te proberen.
Het fijnmaken van de voeding zorgt er voor dat de voedingsstoffen beter kunnen opgenomen worden. Gebruik hiervoor een vruchtenpers, een rasp, een roerzeef of een mixer.
In kant-en-klare potjesvoeding is de voeding gehomogeniseerd. Dit wil zeggen dat de voedingsmiddelen onder hoge druk door zeer fijne gaatjes worden gestuwd. Hierdoor is het product zeer fijn. De plantencellen zijn ook opengebroken, zodat alle voedingsstoffen vrijkomen en makkelijker door het maag-darmkanaal van de baby kunnen worden opgenomen. De structuur van bereide voeding en potjesvoeding kan heel erg verschillen. De baby merkt dit ook en zou een zelfbereide maaltijd kunnen weigeren. Zorg dus zeker voor voldoende afwisseling in de voeding.
Mixen zorgt voor meer lucht in de pap en dus voor vitamineverlies. Daarom krijgt het niet de voorkeur.
Ouders en opvang starten best samen met fruitpap of groentepap.
Smaakwaarneming
De smaakwaarneming van een baby ontstaat al tijdens de zwangerschap. Een pasgeboren baby reageert op smaken en geuren die hij kent van voor zijn geboorte. Hij merkt het verschil tussen zoet, zuur en bitter. Een baby verkiest zoet en heeft een afkeer van bitter.
Door borstvoeding te krijgen, leert een baby heel wat smaken en geuren kennen. Dit zorgt voor minder problemen bij de start van vaste voeding. Bij flesvoeding leert hij pas de verschillende smaken via de fruit- en groentepap kennen.
In het begin is tegenstribbelen en spuwen normaal. Laat de baby wennen aan een nieuwe smaak. Dit lukt het makkelijkst wanneer hij honger heeft of wanneer een geliefd persoon in een prettige omgeving hem eten geeft.
