Schedel

Slapen
  • Slaaphouding = rugligging; wakker = op de buik!
    Vanaf de eerste dagen moet een wakker kind (onder toezicht) in buikligging gelegd worden gedurende korte periodes, zodat de motoriek zich goed kan ontwikkelen. Geleidelijk kunnen deze periodes verlengd worden, zodat het kind eraan went en actiever wordt in buikligging.
  • Tijdens de slaap wordt een wisselhouding van het hoofd aanbevolen. Het hoofd wordt dan door de ouder voorzichtig gedraaid, zodat het achterhoofd niet continu onder druk staat. Dit kan bijvoorbeeld door bij elke slaapperiode het hoofd naar een andere kant te draaien.
  • Door regelmatig de visuele en auditieve prikkels van richting te wijzigen, draait een kind zijn hoofd niet altijd naar eenzelfde kant. Dat kan door het bed regelmatig van plaats te veranderen of door het kind in de andere richting in bed te leggen. Als een kind wakker wordt, draait het immers vaak het hoofd naar het licht.
 Verzorging
  • Vaak dragen of voeden ouders een kind altijd op dezelfde arm. Het is belangrijk om regelmatig van houding te wisselen.
  • Mobiliseer de nek regelmatig, bijvoorbeeld bij elke verluiering of verzorging. Dit kan spelenderwijs gebeuren door visuele en auditieve prikkels vanuit verschillende richtingen aan te bieden.

Tijdens aankleden op de buik

  • Tijdens het aan- en uitkleden kan een baby eens op zijn buik of zij gelegd worden. Om een baby op zijn buik te leggen is het een goede oefening om hem te helpen rollen van zijn rug naar zijn buik, met ondersteuning van het hoofd en de romp.
 

Opnemen

 
  • Ondersteun bij het oprichten altijd het achterhoofd en de zijkanten van de romp. Zorg er bij het opnemen voor dat beide armen voorwaarts zijn en de schouders niet naar achter hangen.
 

Positie tijdens verzorging

 
  • Zorg er ook voor dat je tijdens de verzorging voor de baby staat, zodat hij naar jou kan kijken zonder het hoofdje steeds naar een zelfde kant te moeten draaien.
Voeding
  • Bij borstvoeding verwissel je automatisch de baby van positie aangezien je de baby afwisselend aan de ene en aan de andere borst voedt. Als je flesvoeding geeft, kan je best de baby ook afwisselend op de ene arm en de andere arm voeden.

Armpjes over schouder

  • Om de baby te laten boeren, kan hij afwisselend over de linker- en rechterschouder gelegd worden met de armpjes over de schouder.
  
Dragen
  • Verwissel regelmatig van houding.
  • Als een baby gedragen wordt met het gezicht naar je toe, zorg dan dat de armpjes naar elkaar gebracht zijn. Met de ene hand ondersteun je de schouders en met de andere het zitvlak.

Rug tegen buik

  • Laat een baby regelmatig naar de omgeving kijken. Dat doe je door hem met zijn rug tegen jou te laten leunen. Met de ene hand hou je de baby vast over het lichaam en met de andere hand ondersteun je het zitvlak.
 Over arm
  • Wanneer een baby last heeft van krampen, kan het verlichting brengen om hem in buikligging te dragen. Breng een arm tussen de beentjes onder de buik en ondersteun met de andere arm de armpjes van de baby.
Spelen
  • Wissel een baby geregeld van positie als hij wakker is.
  • Leg een baby af en toe op de zij met een opgerolde handdoek in zijn rug. De handdoek mag het hoofdje niet raken.

Mobiel

  • Een mobiel met geluid en felle kleuren spreekt een baby al heel vroeg aan. Verander de mobiel regelmatig van plaats, zodat de baby gestimuleerd wordt om het hoofd naar verschillende richtingen te draaien.
  • Maak geen randbeschermers vast aan de speelbox. Die belemmeren het zicht en een baby vindt het juist leuk om rond te kijken.
  • Plaats af en toe een babygym over de baby. Dit is een goede oefening voor armpjes en beentjes.

Buik liggen, armpjes vooruit

  • Leg een baby regelmatig op de buik op de speelmat of in de speelbox. Een baby vindt dit niet altijd leuk, maar moet hieraan wennen. Start daarom met korte periodes. Breng de armpjes naar voren zodat hij op de onderarmen kan steunen. Zorg dat het ellebooggewricht loodrecht onder het schoudergewricht staat en geef steun aan de zijkant van de onderarmen.
  • Speel geregeld met de baby op een speelmat.
    • Ga voor de baby staan en breng de handjes en voeten naar elkaar toe. Gebruik daarbij eventueel speelgoedjes met geluid en felle kleuren.
    • Maak kleine duw- en fietsbewegingen met de beentjes van de baby. Leg hem daarvoor op de rug en leg je handpalmen op zijn voetzooltjes.

Relax

  • Een baby vindt het prettig om ook eens in de relax te zitten.
Een baby met steun laten zitten op een leeftijd waarop hij nog niet alleen kan zitten, wordt afgeraden, omdat de rompspieren nog niet rijp zijn. 

Houding
Een baby vroeg op de voeten laten steunen, wordt afgeraden, omdat daardoor de ontwikkeling van de coördinatie en de beweeglijkheid op andere vlakken wordt tegengewerkt.

Vervoer
Een draagbaar autostoeltje (zitschelp) mag uitsluitend gebruikt worden voor het veilig vervoer van een baby en niet als wandelwagen of als zitje overdag. De baby zit in een gewrongen houding en te lang hierin zitten, belemmert zijn beweging.

  • Zorg dat een kind in een autostoel mooi gesteund in het midden zit. De eerste weken kan je in een draagbaar autostoeltje eventueel gebruik maken van een verkleinkussen.
  • Hou bij een lange autorit zeker om de 2 uur een pauze. Neem de baby telkens uit de reiswieg of autostoel, hou hem een tijdje op je schoot of arm en laat hem eventueel op een dekentje liggen, zodat hij zich vrij kan bewegen.

Doorverwijzen naar de behandelend arts is nodig

  • wanneer de deformatie sterk uitgesproken is, dus bij uitgesproken afplatting en/of voorwaartse verplaatsing van het oor
  • wanneer tijdens de eerste twee maanden de toestand duidelijk verslechtert ondanks eenvoudige adviezen
  • wanneer er bij een kind met afwijkingen op de leeftijd van 4 à 5 maanden geen duidelijke verbetering optreedt.

De verdere aanpak wordt bepaald door de behandelend arts.