Bescherming tegen infectieziekten


Soorten vaccins

Vaccins kunnen ingedeeld worden in 2 soorten: levend verzwakte en geïnactiveerde (dode) vaccins.

Levend verzwakte vaccins zijn vaccins waarin de ziektekiem nog levend maar in sterk verzwakte vorm aanwezig is. Daardoor is zijn ziekmakend vermogen veel kleiner dan de natuurlijke ziektekiem die ‘in het wild’ voorkomt en de ziekte veroorzaakt.
De meeste levende vaccins zijn virusvaccins.
In het huidige basisvaccinatieschema voor baby’s worden er 2 levende vaccins gebruikt:

  • het vaccin tegen rotavirus.
  • het vaccin tegen mazelen-bof-rubella

Levende vaccins hebben het voordeel dat ze over het algemeen een veel langer durende immuniteit (weerstand) opwekken dan de geïnactiveerde vaccins.
Levende vaccins worden gewoonlijk niet toegediend aan zwangere vrouwen en aan personen met een sterk verminderde immuniteit. Bij hen bestaat het risico dat het afgezwakte virus hetzelfde effect zou kunnen hebben als een infectie met het ‘wilde virus’.

In geïnactiveerde (dode) vaccins is de ziekteverwekker niet in levende vorm aanwezig. De opgewekte immuniteit is daardoor meestal beperkt van duur en hervaccinatie op latere leeftijd is soms nodig om de bescherming op peil te houden.
In het basisvaccinatieschema voor baby’s zijn volgende vaccins geïnactiveerd:

  • het vaccin tegen polio, difterie, tetanus, pertussis, hepatitis B, Haemophilus influenzae b
  • het vaccin tegen pneumokokken
  • het vaccin tegen meningokokken C

Bescherming via antistoffen van de mama

De antistoffen worden van moeder op kind overgedragen op 2 manieren:

  • Via de moederkoek. De antistoffen die de vrouw nog heeft, bereiken zo het ongeboren kind.
  • Via de moedermelk bij borstvoeding. Deze beschermende werking is tijdelijk en minder krachtig dan de bescherming via een vaccin. Voor een aantal infectieziekten die heel vroeg kunnen optreden zoals kinkhoest en Haemophilus influenzae B biedt moedermelk geen bescherming.
De hoeveelheid antistoffen die de vrouw aan de baby doorgeeft, hangt af van de hoeveelheid antistoffen die bij haarzelf aanwezig zijn en van de doeltreffendheid van het transport via de placenta. 

Het transport van antistoffen start al op 16 weken zwangerschap en neemt vooral flink toe na de 35ste zwangerschapsweek. Daarom hebben prematuur geboren baby’s minder antistoffen meegekregen dan voldragen baby’s.
Om die reden worden vaccinaties bij prematuren niet uitgesteld, maar op dezelfde leeftijd gegeven als bij voldragen baby’s.

Uit onderzoek van het Vaccin- en Infectieziekten Instituut (VAXINFECTIO) aan de Antwerpse universiteit blijkt dat baby’s van gevaccineerde moeders minder antistoffen hebben dan baby’s van moeders die op natuurlijke wijze een infectie hebben doorgemaakt.

Opgelet!
In beide gevallen vermindert de hoeveelheid antistoffen bij de baby vrij snel na de geboorte tot op een antistoffenniveau dat hen niet meer voldoende beschermt.

  • Voor mazelen is dit al na gemiddeld 2,6 maanden het geval. Daarom moeten baby’s tijdig gevaccineerd worden zodat ze zelf bescherming beginnen opbouwen, een ‘actieve bescherming’ tegen de ziektes waartegen gevaccineerd wordt.
  • Rubella (rodehond): tussen de leeftijd van 3 en 6 maanden verdwijnt de bescherming volledig. De vaccinatie tegen mazelen-bof-rubella blijft op 12 maanden. Het immuunsysteem van kinderen moet immers voldoende gerijpt zijn om antistoffen tegen deze infecties aan te maken.
  • Varicella (windpokken): op de leeftijd van 2,3 tot 3,3 maanden verdwijnt de bescherming.

Bescherming via vaccinatie

Tetanusvaccinatie
Een herhaling van de vaccinatie om de 10 jaar is nodig.
Bij tetanus is de grootte van de hoeveelheid circulerende antistoffen in het lichaam essentieel. De beschikbare antistoffen moeten de toxine (gifstof) die de bacterie produceert onmiddellijk kunnen opvangen.

Hepatitis A en B-vaccinatie

Hepatitis A en B
Door het immuungeheugen blijft een volwassene beschermd tegen bepaalde ziekten die men in de kindertijd opliep of waartegen men gevaccineerd is. Het immuunsysteem herinnert zich dat het ziekmakende element zoals een virus of bacterie al eerder ontmoette, wat een snellere en effectievere bestrijding mogelijk maakt en onder normale omstandigheden voor een volledige bescherming zorgt.

Een herhaling van de vaccinatie om de 20 jaar is nodig. Vroegere bijsluiters spraken van een herhaling van de vaccinatie om de 10 jaar. De huidige bijsluiters hebben dat intussen al op 20 jaar gebracht.

Volgens een wiskundig model zou 25 jaar na volledige vaccinatie slechts minder dan 5 % van de gevaccineerden geen antistoffen meer hebben. Men gaat er van uit dat een boostervaccinatie (inenting om de afweer opnieuw even op te peppen) na volledige vaccinatie niet nodig is en men levenslang beschermd is. Dit wordt verder opgevolgd met lange-termijnstudies.

Hepatitis B-vaccinatie
Als het vaccin eenmaal een voldoende reactie van het immuunsysteem van het kind heeft uitgelokt, zijn herhalingsdosissen niet nodig voor een lange bescherming.

Difterie (kroep) en pertussis (kinkhoest)
Een herhaling van de difterievaccinatie is net als bij tetanus om de 10 jaar nodig. Bij deze gelegenheid wordt gebruikt gemaakt van een combinatievaccin dat niet alleen tegen difterie en tetanus, maar ook tegen kinkhoest beschermd.

Bof
10 tot 15 jaar na vaccinatie is er geen bescherming meer tegen bof.

Mazelen
1 op 4 van de zwangere vrouwen die als kind gevaccineerd waren tegen mazelen vertoont geen beschermende hoeveelheid antistoffen meer.
Om de circulatie van het virus stop te zetten en op termijn een eventuele uitroeiing te bekomen is.

  • voor mazelen een vaccinatiegraad van 92-95% voor beide dosissen noodzakelijk.
  • voor bof is een vaccinatiegraad van 90-92% voldoende.
  • voor rubella is een vaccinatiegraad van 83-87% voldoende.

Infectieziekten opgenomen in het vaccinatieschema

Kind en Gezin volgt het aanbevolen vaccinatieschema van de Hoge Gezondheidsraad (HGR) voor kinderen van 0-6 jaar dat beschermt tegen volgende infectieziekten:

  • Poliomyelitis(kinderverlamming)
  • Difterie (kroep)
  • Tetanus (klem)
  • Pertussis (kinkhoest)
  • Haemophilus influenzae B en meningokokken type C (bacteriën die hersenvliesontsteking en bloedvergifting kunnen veroorzaken)
  • Hepatitis B (leverontsteking)
  • Mazelen
  • Bof (dikoor)
  • Rubella (rodehond)  
  • Pneumokokken (bacteriën die o.a. hersenvliesontsteking, longontsteking, middenoorontsteking en bloedvergiftiging kunnen veroorzaken)
  • Rotavirus (virus dat maagdarmontsteking met diarree veroorzaakt)
Opgelet!
  • Als de baby lijdt aan een immuniteitsstoornis (vermindering van de natuurlijke weerstand) (aids, congenitale immuundeficiënties, ...) of een andere ernstige aandoening heeft, meld dit altijd vooraf aan de arts.
  • Normaal vaccineert men geen pasgeborenen. De baby kreeg tijdens de zwangerschap belangrijke antistoffen mee van de moeder. Deze bescherming neemt evenwel geleidelijk af. Daarom wordt een baby vanaf 8 weken gevaccineerd. 
  • Als de moeder draagster is van het hepatitis B-virus, dan wordt de baby wel tegen hepatitis B gevaccineerd na de geboorte. Eén vaccin volstaat niet, later zijn er nog dosissen nodig. Die worden toegediend volgens het basis vaccinatieschema.
  • Men kan de bescherming op elke leeftijd beginnen opbouwen. Het is nooit te laat om de baby te laten inenten.

Vaccinatieschema Kind en Gezin

Kind en Gezin volgt de aanbevelingen van de Hoge Gezondheidsraad

Af te raden: op natuurlijke wijze antistoffen opbouwen

Als een kind de ziekte moet doormaken om op natuurlijke wijze antistoffen op te bouwen, houdt dat gevaren in, zeker als het gaat om aandoeningen die acuut levensbedreigend kunnen zijn. Kinkhoest, tetanus, difterie en infecties met Haemophilus influenzae b, meningokokken C, pneumokokken kunnen zo acuut zijn dat behandeling te laat komt of ernstige blijvende complicaties niet kan beletten.

Tegen andere vaccineerbare ziekten bestaat er geen doeltreffende behandeling, zoals tegen hepatitis B, polio, mazelen, bof en rubella.

Het eerste vaccin wordt op de leeftijd van 8 weken gegeven. Stel dit niet uit. Hoe langer men wacht, hoe langer het duurt vooraleer de baby beschermd is. Voor sommige vaccins is meer dan 1 dosis nodig om voldoende en langdurige bescherming op te bouwen.

Herhaling van vaccinaties

Voor sommige vaccins is het niet zinvol om ze te herhalen vermits men er op oudere leeftijd niet meer mee geconfronteerd wordt of niet meer erg ziek van wordt (voor Haemophilus influenzae type b, rotavirus, …).  Andere vaccins zijn, als men het volledig basisschema heeft gekregen, levenslang beschermend.

Enkel voor tetanus (klem) en difterie (kroep) is opnieuw vaccineren na 10 jaar nodig. Deze 2 vaccins zitten samen met het kinkhoestvaccin in 1 prik. Vraag advies aan de arts.
Bekijk ook ...