Vrouwen krijgen hun kinderen in toenemende mate na hun dertigste verjaardag

8 juni 2015

Geboortecijfer Kind en Gezin

In 2014 waren er 67 875 geboorten bij moeders met een woonplaats in het Vlaamse Gewest, een daling van 0,4% ten opzichte van 2013. Daardoor ligt het geboortecijfer volgens Kind en Gezin voor het eerst sinds 2006 terug onder de 68 000 kinderen. De daling die begon in 2011 zet zich dus verder, al is de daling minder sterk dan de voorbije 3 jaar. Enkel in Limburg en Antwerpen werden meer kinderen geboren dan in 2013.

Kenmerken van de kinderen geboren in 2014

Pariteit
44% van de kinderen is het eerste kind van de moeder. Als we de pariteit, d.i. aantal keren dat een vrouw bevallen is, meer in detail en per provincie bekijken, dan zien we dat ongeveer 20% van de kinderen pariteit 3 of meer heeft. In West-Vlaanderen wordt het hoogste aandeel (46,7%) eerste kinderen geboren, in Antwerpen ligt dat aandeel het laagst (42%). Antwerpen kent daarentegen wel het hoogste aandeel kinderen van pariteit 3, 4 én 5 of meer.

Leeftijd moeder
71% van de in 2014 geboren kinderen heeft bij geboorte een moeder tussen 25 en 35 jaar. 1,4% heeft een moeder jonger dan 20 jaar, 2,6% van de kinderen heeft een moeder ouder dan 40 jaar.

Origine moeder
Kind en Gezin registreert de origine van de moeder van het kind door de moeder te vragen naar haar nationaliteit bij haar geboorte. Het aandeel borelingen met een moeder van niet-Belgische origine neemt verder toe: 25,2% van de kinderen geboren in 2014 heeft een moeder die bij haar geboorte niet de Belgische nationaliteit had. Dit percentage is licht toegenomen tegenover 2013 (+0,6 procentpunt). Het gaat om ruim 150 verschillende nationaliteiten. De meest voorkomende zijn de Marokkaanse, Turkse en Nederlandse nationaliteit. Dat een moeder bij haar geboorte een andere nationaliteit had, betekent niet noodzakelijk dat ze zelf geïmmigreerd is.
Antwerpen heeft het hoogste percentage borelingen met een moeder van niet-Belgische origine, nl. 33,2%. Daarna volgen de provincies Vlaams-Brabant (26,5%), Limburg (25,0%) en Oost-Vlaanderen (21,8%). West-Vlaanderen heeft het laagste percentage, nl. 13,9%.

Evolutie vruchtbaarheid
De totale vruchtbaarheid wordt uitgedrukt in aantal kinderen per vrouw. Het totale vruchtbaarheidscijfer (TVC) voor 2014 bedraagt 1,71. Dit cijfer neemt verder af sinds 2008 en ligt nu op het niveau van 2005. Het vruchtbaarheidscijfer van niet-Belgische vrouwen ligt heel wat hoger dan dat van Belgische vrouwen (2,63 tegenover 1,60). Bij Belgische vrouwen startte de daling van het TVC in 2008, bij vrouwen met een andere nationaliteit pas in 2010. Maar het TVC daalt sterker bij vrouwen van niet-Belgische nationaliteit. Er is sprake van een fors uitstel van vruchtbaarheid. Het vruchtbaarheidspatroon van de vrouwen met vreemde nationaliteit lijkt steeds meer op het vruchtbaarheidspatroon van de Belgische vrouwen.
In 2014 ligt het TVC het laagst in Limburg (1,63) en het hoogst in de provincie Antwerpen (1,81). Oost-Vlaanderen (1,67) en Vlaams-Brabant en West-Vlaanderen (1,68) nemen een middenpositie in. In 3 van de 5 provincies daalt het TVC, in Antwerpen en Limburg blijft het TVC (nagenoeg) constant.

De val van het TVC sinds het midden van de jaren 1960 was niet alleen een kwestie van een dalend aantal geboorten, maar ook van een uitstel van eerste geboorten. De invloed van het moment waarop vrouwen kinderen krijgen op het TVC kan afgeleid worden uit de leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers.

Als gevolg van het uitstelgedrag daalt de vruchtbaarheid bij vrouwen van 20 tot 25 jaar. Het aantal geboorten per 100 vrouwen op die leeftijd daalde in het Vlaamse Gewest opmerkelijk van 5,2 in 2010 naar 4,3 in 2013 en 4,0 in 2014. Dat is het laagste peil ooit en daarmee voor het eerst zelfs merkelijk lager dan de vruchtbaarheid bij 35- tot 40-jarige vrouwen. Volgens* Van Bavel en Nomes is de financieel-economische crisis wellicht een belangrijke verklaring. Jongeren zijn immers gevoeliger voor de gevolgen van de crisis dan mensen die al wat verder in hun carrière staan. (*Rapport ‘De recente evolutie van de vruchtbaarheid in het Vlaamse Gewest: 2013-2014.’)

De vruchtbaarheid van 25- tot 30-jarige vrouwen daalt sinds 2010.

Vanaf de tweede helft van 1980 vertaalde het uitstel van ouderschap zich in systematisch stijgende vruchtbaarheidscijfers voor 30-plussers. Maar ook aan deze trend is een einde gekomen. Het aantal geboorten bij 30- tot 35-jarigen blijft sinds 2010 min of meer stabiel.

De enige leeftijdscategorie waar een stijging zichtbaar blijft, is bij 35- tot 40-jarige vrouwen, dus bij vrouwen die in de meeste gevallen hun eerste kind al eerder gekregen hebben.

In de periode 2000-2010 nam het TVC toe omdat een stijgende vruchtbaarheid op oudere leeftijd (na eerder uitstel op jongere leeftijd) gecombineerd werd met een lichte heropleving van vruchtbaarheid onder de 30 jaar. Na 2008 daalde de vruchtbaarheid op zowat alle leeftijden onder de 35 jaar. Het is in de eerste plaats de daling van de vruchtbaarheid bij 27- tot 33-jarige vrouwen, de leeftijd waarop het vaakst aan gezinsvorming begonnen wordt, die zich vertaalt in de daling van het TVC. De lichte stijging van de vruchtbaarheid van vrouwen boven de 35 jaar kan de daling niet compenseren. De cijfers voor 2013 en 2014 wijzen dus opnieuw duidelijk in de richting van fors uitstel van de vruchtbaarheid.



BIJLAGEN bij het persbericht


Contactpersoon persinfo