Nieuwe cijfers over arbeids- en inkomenssituatie in gezinnen met jonge kinderen

15 juli 2015

Arbeidssituatie

Op basis van de gegevens van de Kruispuntbank van de Sociale zekerheid (KSZ) schetst Kind en Gezin een beeld over jonge kinderen en de werksituatie van hun ouders. We publiceren zowel cijfers op kindniveau, als cijfers over vaders en moeders.

Arbeidsparticipatie

Minimum 63,8% van de kinderen woont in een gezin waar beide ouders werken’

Eind 2012 leefde 91,3 % van de kinderen jonger dan 12 jaar in een gezin met minstens 1 werkende ouder. Het aandeel kinderen in een gezin zonder werkende ouder bedroeg maximaal 8,7% van de kinderen (voor ongeveer 5% van de kinderen was niet duidelijk of iemand werkte in het gezin).
Meer dan een kwart (26%) van de kinderen uit een eenoudergezin heeft geen werkende ouder.

Ten minste 63,8% van de kinderen woonde in een gezin waar beide ouders werkten.  15,6% leefde in een gezin waarin (minstens) 1 ouder werkzoekend of niet beroepsactief was.


‘Kinderen met vreemde herkomst hebben minder vaak 2 werkende ouders’

De arbeidsparticipatie in het gezin verschilt ook naargelang de herkomst  van het kind. We zien enerzijds dat het aandeel kinderen waar zeker geen werkende ouder in het gezin aanwezig is, meer dan dubbel zo hoog ligt bij kinderen van vreemde herkomst (6,4% versus 2,8%). Anderzijds zien we ook dat het aandeel kinderen met 2 werkende ouders meer dan de helft lager ligt bij kinderen met een vreemde herkomst (38,5% versus 75,5%).

Provinciale verschillen

Er bestaan ook aanzienlijke provinciale verschillen. In West-Vlaanderen woonde (minstens) 80% van de kinderen in een gezin van tweeverdieners, in Antwerpen ging het om (minstens) 65%. Ook het aandeel jonge kinderen (0-3 jaar) met een werkende moeder verschilt duidelijk tussen provincies. Deze verschillen zijn van belang, want we weten dat de behoefte aan kinderopvang onder meer sterk samenhangt met de werksituatie van de moeder.

Arbeidsregime

‘Heel wat kinderen leven bij ouder(s) die deeltijds werken’

Zo’n 30% van de kinderen uit een eenoudergezin heeft een deeltijds werkende ouder, van de kinderen uit een tweeoudergezin leeft 38,9% bij een gezin waar 1 ouder voltijds werkt en de andere deeltijds en 3,7% in een gezin waar beide ouders deeltijds werken.

Werkintensiteit

Als we de werkintensiteit (mate waarin over een periode van een heel jaar door ouders gewerkt werd, zowel qua aantal maanden, als qua arbeidsregime) in het gezin van jonge kinderen bekijken over heel 2012, dan stellen we vast dat 54,5% van de kinderen onder de 12 jaar leefde in een gezin met een werkintensiteit van minstens 75%. 11,1% leefde in een gezin met een werkintensiteit van hoogstens 25%.

De cijfers over de werkintensiteit in eenoudergezinnen tonen aan dat bijna 1 op de 3 kinderen in een eenoudergezin leefde met een werkintensiteit van minder dan 25%. Bij kinderen uit een tweeoudergezin gaat het om slechts 8,2%.

Verschil in werksituatie tussen vaders en moeders

‘90% van de vaders met jonge kinderen werkt, 8,3% doet dat deeltijds. 75,5% van de moeders is aan het werk, maar duidelijk veel meer deeltijds (52,9%) dan vaders.’

De gegevens in ‘Het kind in Vlaanderen’ zijn gepresenteerd op kindniveau. Nieuw in deze editie is de informatie met als teleenheid het gezin of de ouder(s) van jonge kinderen. Die cijfers zijn namelijk relevant in het kader van een breder gezinsbeleid. Zo ging Kind en Gezin na in welke mate de werksituatie van vaders en moeders verschilt en of deze beïnvloed wordt door de leeftijd en het aantal jonge kinderen in het gezin.
Kind en Gezin stelt verschillen vast in de werksituatie bij vaders en moeders met jonge kinderen (0-12 jaar). Zo blijkt dat vaders met jonge kinderen (jonger dan 12 jaar) vaker aan het werk zijn dan moeders met jonge kinderen. Ongeveer 90% van de vaders met kinderen van 0 tot 12 jaar werkt. Voor de moeders gaat het om 75,5%. Dat betekent niet dat vrouwen met jonge kinderen vaker werkzoekend zijn, maar wel dat vrouwen vaker een ‘andere’ arbeidssituatie hebben (bv. huisvrouw of student) en dat vrouwen met kinderen vaker niet-beroepsactief zijn.

Vooral de werksituatie van moeders varieert naargelang de leeftijd van het jongste kind of naar het aantal kinderen in het gezin. Als we de cijfers voor alle gezinnen bekijken, dan zien we dat het aandeel werkende vaders ook bij grote gezinnen hoog blijft en pas aanzienlijk lager ligt in gezinnen met 5 of meer kinderen. Bij moeders zien we dat de arbeidsparticipatie vanaf 3 kinderen sterk afneemt.
Hoewel het verschil in arbeidsparticipatie van vaders en moeders met een groot gezin ook bepaald wordt door factoren zoals leeftijd, opleiding, origine, … en dus niet enkel beschouwd mag worden als een effect van die gezinsomvang, is het toch opvallend.

Op het vlak van het arbeidsregime stellen we meer uitgesproken verschillen vast tussen vaders en moeders. 8,3% van de werkende vaders met een kind jonger dan 12 jaar werkt deeltijds, bij werkende moeders gaat het om 52,9%.

Het inkomen van gezinnen met jonge kinderen

De KSZ heeft een wetenschappelijk verantwoord ‘inkomensbegrip’ geconstrueerd door een koppeling van de bestanden van diverse overheidsinstellingen. Hierdoor kunnen we voor bijna alle kinderen weergeven wat het bruto belastbare inkomen (exclusief kinderbijslag) is van het gezin waarin het woont. Het gaat enkel om inkomens uit arbeid en uitkeringen en de analyse is gebeurd op basis van gegevens uit 2010.

‘25% van de kinderen leeft in gezin met bruto belastbaar inkomen lager dan 30 000 euro’

In 2010 groeide een kwart van de kinderen op in een gezin waar het bruto belastbaar inkomen maximaal 30 000 euro bedroeg. 24,1% van de kinderen jonger dan 12 jaar had een gezinsinkomen dat groter is dan 65 000 euro, bij 10% van de kinderen is dat meer dan 85 000 euro. 

Ongeveer een derde (34,2%) van de kinderen van 0 tot 12 jaar leeft in een gezin met een inkomen dat enkel uit arbeid bestaat. Bij nog eens een derde (32,3%) van de kinderen bestaat het gezinsinkomen voor minder dan 10% uit uitkeringen. Bij 9,5% van de kinderen bestaat het gezinsinkomen voor meer dan de helft uit uitkeringen. 3,2% van de kinderen had een gezinsinkomen dat deels bestaat uit een leefloon.

Het feit dat een gezinsinkomen helemaal of voor een groot deel bestaat uit uitkeringen is een belangrijke indicatie voor een minder gunstige materiële leefsituatie. De meeste uitkeringen zijn immers geplafonneerd en/of aan bepaalde inkomensgrenzen gekoppeld.


‘74% van de kinderen bij een alleenstaande ouder heeft een inkomen lager dan 30 000 euro’

Liefst 74% van de kinderen bij een alleenstaande ouder heeft een bruto belastbaar gezinsinkomen van minder dan 30 000 euro. Bij de kinderen uit een tweeoudergezin bedraagt dat aandeel 18,1%. Omgekeerd ligt het aandeel kinderen met een hoog gezinsinkomen duidelijk hoger bij kinderen uit een tweeoudergezin. Dat is uiteraard logisch: 2 ouders genereren vermoedelijk 2 inkomens (al dan niet uit arbeid). Maar de cijfers wijzen duidelijk op een minder gunstige financiële leefsituatie voor kinderen met alleenstaande ouders.

Provinciale verschillen

Ook hier zien we duidelijke provinciale verschillen. In Antwerpen heeft bijna 30% van de kinderen van 0 tot 12 jaar een bruto belastbaar gezinsinkomen van minder dan
30 000 euro. In Limburg gaat het om 26,9%. Vooral in Vlaams-Brabant ligt dat aandeel lager (19,4%). Vlaams-Brabant heeft tegelijk een duidelijk groter aandeel kinderen (24,2%) met een bruto belastbaar inkomen van minstens 75 000 euro in vergelijking met de andere provincies.


Meer cijfers uit ‘Het kind in Vlaanderen’

  • 85% van de kinderen jonger dan 12 jaar groeit op in een tweeoudergezin, 11,6% woont in een eenoudergezin.

  • Het aandeel kinderen dat woont bij een ongehuwd paar neemt verder toe. In 2014 gaat het al om 25,2% van de kinderen jonger dan 12 jaar. Bij kinderen onder 3 jaar woont zelfs al 35,5% bij ongehuwd paar.

  • Ongeveer 33% van de kinderen jonger dan 12 jaar heeft een vreemde herkomst (cijfer 2012). 8,3% heeft zelf niet de Belgische nationaliteit. Het aandeel kinderen van vreemde herkomst varieert sterk tussen provincies.

  • In 2014 werden 9.472 kinderen gemeld bij de vertrouwenscentra kindermishandeling. Ongeveer 15% van de gemelde kinderen is jonger dan 3 jaar.

  • In het Vlaamse Gewest heeft 11,2% van de kinderen jonger dan 5 jaar recht op een verhoogde tegemoetkoming in de ziekteverzekering. Bij 15- tot 20-jarigen loopt het aandeel op tot 13,8%.

Conclusie
“De cijfers over de arbeids- en inkomenssituatie illustreren de grote heterogeniteit van leefsituaties waarin kinderen opgroeien, zegt Jo Vandeurzen, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Deze cijfers vormen een belangrijke basis voor het beleid dat we voeren en bevestigen dat onze samenleving en gezinnen evolueren. Het is van belang dat we, ook als overheid, gezinnen een houvast bieden. Daarom verankeren we de Huizen van het Kind als centraal aanspreekpunt voor de ondersteuning van alle gezinnen in Vlaanderen. We hebben hierbij ook aandacht voor de kinderen die opgroeien in kwetsbare gezinnen. Die lijn trekken we ook door naar de kinderopvang waar we voor deze gezinnen een specifiek aanbod voorzien”.

Meer info:
zie link website Kind en Gezin/cijfers en rapporten/Kind in Vlaanderen
________________________________________
Contact pers:
Leen Du Bois, woordvoerder Kind en Gezin
Diederik Vancoppenolle, Wetenschappelijk adviseur
0496 59 15 11 – 02 533 14 24
woordvoerder@kindengezin.be
 @wvkg
________________________________________