Waar staat de kinderopvang 2 jaar na invoering van het decreet?

11 mei 2016

Kwaliteitsvol?
Na 2 jaar heeft elke kinderopvangvoorziening een vergunning, wat voortaan verplicht is. Dit betekent dat overal dezelfde vergunningsvoorwaarden van toepassing zodat elk kind dezelfde kwaliteit kan krijgen, waar het ook opgevangen wordt.

Het is wetenschappelijk bewezen dat kinderopvang van hoge pedagogische kwaliteit langdurige positieve effecten heeft op de ontwikkeling van kinderen. Daarom is een pedagogisch raamwerk met een visie op kwaliteitsvolle opvang ontwikkeld. Verschillende organisatoren zijn al aan de slag met dit raamwerk. Op basis hiervan komen er ook instrumenten die de pedagogische kwaliteit zullen meten en bevorderen. 
Sinds de invoering van het decreet, hebben bovendien heel wat voorzieningen een beroep kunnen doen op gratis pedagogische begeleiding en de Vlaamse overheid blijft verder inzetten op een ruime pedagogische ondersteuning.

Het decreet is ook het startmoment geweest voor het geleidelijk versterken van de kwalificaties in de kinderopvang. De doelstelling is dat al wie werkzaam is in de kinderopvang gekwalificeerd is tegen 2024.

Voldoende plaatsen?
Voor 54,6% van de kinderen in Vlaanderen is er een opvangplaats. De doelstelling van het decreet om in 2016 voor de helft van de kinderen een opvangplaats te hebben, is behaald. 

Het totaal aantal plaatsen voor baby’s en peuters bedraagt nu 94.738. Sinds de start van het decreet zijn er 1.953 plaatsen bij gekomen. Dit aantal kan nog aangevuld worden met de 809 nieuwe plaatsen die Kind en Gezin eind 2015 toekende naar aanleiding van de bijkomende middelen die de Vlaamse Regering vrijmaakte voor de uitbreiding van het aantal kinderopvangplaatsen in 2015 en 2016. Het ging om 338 nieuwe plaatsen met basissubsidie en 471 met inkomenstarief. 

Groepsopvang is met 66% van de plaatsen de grootste opvangvorm. Het aandeel van de groepsopvang in de kinderopvang neemt toe. Voor het decreet vertegenwoordigde de groepsopvang 65% van het aantal plaatsen. Sinds de start van het decreet zijn er in de groepsopvang meer starters (160) dan stoppers (134). 

Het aandeel van de gezinsopvang in de opvangplaatsen bedraagt 34%. In de gezinsopvang zijn er echter meer stoppers (1232) dan starters (615). Deze trend is niet nieuw. Ook andere landen stellen deze evolutie al geruime tijd vast. Momenteel loopt een strategische oefening over het belang van de gezinsopvang in Vlaanderen, in samenwerking met stakeholders (organisatoren, gebruikers/gezinnen, experts).

Leefbaar?
Omdat de organisatoren van kinderopvang een belangrijke maatschappelijke opdracht vervullen, doet de Vlaamse overheid inspanningen om het organiseren van opvang voor baby’s en peuters haalbaar te maken. Ten gevolge van de uitbreidingsronde 2015-2016:  
  • kregen 1005 niet-gesubsidieerde plaatsen een basissubsidie;
  • schakelden 364 plaatsen over naar subsidie inkomenstarief;
  • schakelden 1235 bestaande plaatsen over naar de plussubsidie.
In april 2015 werd een volgende stap gezet in het gelijkschakelen van de historisch gegroeide subsidieverschillen in de kinderopvang en is het laagste subsidietarief voor inkomenstarief verhoogd. Voor 2016 zal ook de basissubsidie verhoogd worden.

Betaalbaar en toegankelijk?
Meer ouders betalen nu een opvangprijs die rekening houdt met hun inkomen: voor het decreet werd in 71% van de plaatsen een inkomenstarief aangerekend, nu is dit in 74% van de plaatsen. Dit aandeel zal nog uitbreiden. Eind 2015 kende Kind en Gezin 471 nieuwe plaatsen met inkomenstarief toe en konden 364 bestaande plaatsen naar inkomenstarief overschakelen. 

Ouders betalen gemiddeld 14,62 euro per dag voor een plaats met inkomenstarief (vork tussen 5,02 en 28,83 euro). De grootste groep (30,51%) betaalt tussen 15 en 20 euro voor één opvangdag.

Opvangvoorzieningen die vandaag het hoogste subsidiebedrag inkomenstarief krijgen, ontvangen hiervoor gemiddeld 55,10 euro per plaats per dag. Ouders betalen hiervan dus gemiddeld 14,62 euro.  De rest wordt door de Vlaamse overheid gesubsidieerd, met name 40,48 euro.
Het inkomenstarief is gestegen ten gevolge van de aanpassing van de tarieven in 2015. Zo is er enkel korting indien er in het gezin nog kinderen zijn onder de 12 jaar en is het minimumtarief verhoogd naar 5 euro.  

Belangrijk is wel dat ouders nog altijd een individueel verminderd tarief kunnen aanvragen voor specifieke situaties zoals werkloosheid, sterk gedaald inkomen,…  Indien het verminderde tarief ook niet haalbaar is, kunnen ouders een OCMW-tarief aanvragen. 14% van de kinderen krijgt een minimumtarief tussen 1,56 en 5,02 euro en 0,8% van de kinderen een OCMW-tarief. OCMW’s kunnen net als organisatoren ouders ondersteunen om een inkomenstarief of verminderd tarief aan te vragen. 

Kind en Gezin benadrukt dat de kinderopvang een belangrijke sociale taak heeft. Kinderen krijgen in de opvang volop kansen om zich te ontwikkelen. Ook voor sommige ouders is kinderopvang een belangrijke plek van ondersteuning. Daarom is het belangrijk dat de opvang openstaat voor iedereen. Uit de cijfers blijkt echter dat gezinnen met een lager inkomen verhoudingsgewijs minder kinderopvang gebruiken dan gezinnen met een hoger inkomen. Deze gezinnen zijn minder vaak voltijds aanwezig in de opvang en ze maken eerder gebruik van gezinsopvang. Het verhogen van de aanwezigheid van deze kinderen vormt dan ook een blijvende aandachtspunt, ook na de invoering van het decreet en wordt door Kind en Gezin nauw opgevolgd. 

Organisatoren met inkomenstarief doen al heel wat inspanningen om voldoende kwetsbare gezinnen aan te trekken. Om de toegankelijkheid voor deze kwetsbare gezinnen nog te vergroten, krijgen aanzienlijk meer inkomensgerelateerde plaatsen de plussubsidie: van 513 naar 1748. Deze subsidie helpt een aangepaste werking voor kwetsbare gezinnen mogelijk te maken (bv. proactief opvangbeleid, intenssieve samenwerking met andere lokale actoren).

Kind en Gezin zet ook extra in op communicatie met deze ouders. In samenwerking met hen, met de organisatoren en met de toeleiders werd aangepast communicatiemateriaal ontwikkeld. 

Verdere opvolging, ook na twee jaar 
De invoering van de nieuwe regelgeving betekende een enorme verandering voor de kinderopvang in Vlaanderen. Om dat op te volgen, werd het voortgangsoverleg gestart. Via dit overleg gaat Kind en Gezin samen met vertegenwoordigers van ouders, organisatoren en andere partners na of er elementen zijn die moeten bijgestuurd worden om de doelstellingen van het decreet te kunnen bereiken.

Dit heeft al geleid tot wijzigingen in de regelgeving. Zo werden een aantal voorwaarden geschrapt (bv. inzake infrastructuur) en zal voortaan meer autonomie bij de organisator gelegd worden voor wat betreft de algemene veiligheidsaanpak. De organisator maakt zelf een inschatting van de risico's en volgt deze op. Ook de administratieve lasten werden verminderd, ook al blijven we zeker in de gezinsopvang zoeken naar nog verdere vereenvoudiging.

Belangrijke elementen die nog mee op de agenda staan, is een opvolging van de regelgeving ‘opvang bestellen is betalen’, waarbij veel aandacht gaat naar het delen van goede praktijken, Daarnaast ook de uitwerking van een concept van flexibele opvang. ‘Met het decreet kinderopvang van baby's en peuters hebben we een belangrijke stap gezet in de verdere uitbouw van kwaliteitsvolle kinderopvang in Vlaanderen. Deze belangrijke evaluatie toont aan dat we in de goede richting evolueren en dat we hierop verder moeten bouwen’, stelt Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Jo Vandeurzen.