Nieuwe cijfers over arbeids- en inkomenssituatie in gezinnen van jonge kinderen

8 juli 2016

Arbeidssituatie (meest recente gegevens over 2013)

91% van de kinderen jonger dan 12 jaar heeft ten minste 1 ouder die aan het werk is. 4,1% (1 kind op de 25) leeft in een gezin zonder werkende ouders.

Als we meer in detail kijken naar de arbeidsparticipatie van de ouder(s), dan zien we dat (minstens) 63,2% van de kinderen leeft in een gezin met twee werkende ouders en dat 7,1% van de kinderen minstens 1 werkzoekende ouder heeft.

Gezinsvorm en origine

Kinderen uit een eenoudergezin en kinderen van niet-Belgische herkomst leven duidelijk meer in een gezin waar niemand werkt.

Meer dan een kwart (26,7%) van de kinderen uit een eenoudergezin heeft geen werkende ouder. Bij de kinderen uit een tweeoudergezin gaat het om 1%.

Het aandeel kinderen met minstens 1 werkende ouder ligt heel wat lager bij kinderen van niet-Belgische herkomst (80,6% versus 96%). Het percentage kinderen waar geen werkende ouder in het gezin aanwezig is, ligt meer dan dubbel zo hoog bij kinderen van vreemde herkomst (6,5% versus 2,9%). Als we de situatie meer in detail bekijken, dan zien we dat ook het aandeel kinderen met 2 werkende ouders een heel stuk lager ligt bij kinderen van niet-Belgische herkomst (75,3% versus 38,1%). Er doen zich ook provinciale verschillen voor. Antwerpen kent duidelijk een lager aandeel kinderen waarvan beide ouders werken.

Werkintensiteit

11,4% van de kinderen jonger dan 12 jaar leeft in een gezin waar de werkintensiteit (berekend over de loop van een jaar) lager is dan 25%. 54,2% leeft in een gezin met een hoge werkintensiteit van 75% of meer.

Kinderen in een eenoudergezin kennen vaker een lagere werkintensiteit dan kinderen die opgroeien in een tweeoudergezin. Bijna 1 op de 3 kinderen in een eenoudergezin kent een werkintensiteit van minder dan 25%.

Inkomens in gezinnen van jonge kinderen

Op basis van gegevens van de Kruispuntbank Sociale Zekerheid hebben we zicht op het bruto-belastbaar inkomen uit arbeid en vervangingsinkomens in het gezin van 98% van de kinderen.

In 2011 groeit 7,7% van de kinderen op in een gezin waar slechts een beperkt (<15 000 euro) bruto belastbaar inkomen aanwezig is. 23,6% van de kinderen heeft een bruto belastbaar gezinsinkomen van maximaal 30 000 euro.

Er zijn ook kinderen die een ruimer gezinsinkomen hebben. 26,2% van de kinderen jonger dan 12 jaar heeft een gezinsinkomen dat groter is dan 65 000 euro, bij 10,9% van de kinderen is dat meer dan 85 000 euro.

Provinciale verschillen

In Limburg en Antwerpen is er een groter aandeel kinderen met een bruto-gezinsinkomen van minder dan 15 000 euro dan in de andere provincies. In Antwerpen heeft bijna 29% van de kinderen van 0 tot 12 jaar een bruto belastbaar gezinsinkomen van minder dan 30 000 euro. Vooral in Vlaams-Brabant ligt dat aandeel lager (18,7%). Vlaams-Brabant heeft tegelijk een duidelijk groter aandeel kinderen met een bruto belastbaar inkomen van minstens 75 000 euro in vergelijking met de andere provincies. Vooral Limburg en West-Vlaanderen tellen een opvallend lager aandeel kinderen met een hoog gezinsinkomen.

Gezinsvorm

De inkomensverdeling op kindniveau naargelang de gezinsvorm wijst op enkele duidelijke verschillen. Meer dan 7 op de 10 kinderen uit een eenoudergezin heeft een gezinsinkomen lager dan 30 000 euro. Van de kinderen met een hoog gezinsinkomen woont meer dan 98% bij een tweeoudergezin.

Aandeel van uitkeringen in het inkomen

Uit de berekeningen blijkt dat iets meer dan een derde (35,1%) van de kinderen van 0 tot 12 jaar leeft in een gezin met een inkomen dat volledig uit een arbeidsinkomen bestaat. Bij nog eens een derde (32,6%) van de kinderen bestaat het gezinsinkomen voor minder dan 10% uit uitkeringen. Bij 9,2% van de kinderen bestaat het gezinsinkomen voor meer dan de helft uit uitkeringen.

Leefloon

We hebben ook berekend hoeveel kinderen leven in een gezin waarvan het inkomen ten dele uit leefloon bestaat. Een leefloon is immers een indicator voor een materieel ongunstige leefsituatie. In 2011 gaat het om 24 247 kinderen, dit is 3,1% van alle kinderen van 0 tot 12 jaar. Bijna de helft van deze groep kinderen leeft van een inkomen dat voor minstens de helft uit leefloon bestaat.

Conclusie

We stellen een grote variatie vast aan arbeids- en inkomenssituaties. Positief is dat een hoog aandeel kinderen minstens 1 werkende ouder heeft. Bijna 2 op de 3 kinderen heeft 2 werkende ouders. Heel wat kinderen leven in gezin met behoorlijk inkomen. Tegelijk zien we ook dat niet alle kinderen het goed hebben op materieel en financieel vlak. Dat kan negatieve effecten hebben op meerdere levensdomeinen, zoals gezondheid, ontwikkeling, welbevinden vrije tijd, …

Dat arbeid en inkomen heel bepalend zijn voor de leefsituatie van zeer jonge kinderen in Vlaanderen, blijkt uit de kansarmoede-index van 2015. 86% van de kinderen in kansarmoede heeft onvoldoende inkomen, 84% heeft onvoldoende opleiding, 82% onvoldoende arbeid, 55% onvoldoende huisvesting. Bij 63% van de kinderen in kansarmoede gaat het om onvoldoende scores voor de 3 socio-economische criteria, nl. arbeid, inkomen, opleiding. Werken aan kansarmoede vergt dus investeringen op diverse domeinen en inspanningen van diverse actoren.

Nieuwe editie Het Kind in Vlaanderen 2015 en Jaarverslag Kind en Gezin

Vandaag publiceert Kind en Gezin zijn jaarverslag 2015 en de nieuwe editie van Het Kind in Vlaanderen met cijfers over de leefsituatie van jonge kinderen in Vlaanderen in 2015. Heel wat gegevens worden door Kind en Gezin verzameld op basis van de contacten met gezinnen met jonge kinderen. Andere cijfers steunen op registraties in de kinderopvang, in de vertrouwenscentra kindermishandeling, enz.

De publicaties staan integraal op de website van Kind en Gezin.


Info pers:

pdf Download het persbericht.