Kansarmoede-index 2017

12 juni 2018

De verpleegkundigen en gezinsondersteuners van Kind en Gezin gaan tijdens hun contacten met gezinnen na of er signalen zijn van kansarmoede op 6 domeinen. Het gaat om het maandinkomen van het gezin, de opleiding van de ouder(s), het stimulatieniveau van het kind, de arbeidssituatie van de ouder(s), de huisvesting en de gezondheid. Wanneer een gezin zwak scoort op 3 of meer criteria, spreken we over een kind dat in kansarmoede leeft.

De kansarmoede-index van Kind en Gezin geeft aan hoeveel procent van de kinderen tussen 0 en 3 jaar bij de geboorte opgroeit in een situatie van kansarmoede. De index 2017 voor het Vlaamse Gewest bedraagt 13,76% en ligt daarmee 0,94 procentpunt hoger dan die van 2016.

Bij meer dan 8 op de 10 kinderen gaat kansarmoede vooral gepaard met een beperkt inkomen, met werkloosheid of een precaire arbeidssituatie en met een laag opleidingsniveau van de ouder(s). Iets meer dan de helft van de kinderen in kansarmoede heeft een gebrekkige huisvestingssituatie.

Belangrijkste cijfers

  • De kansarmoede-index bij kinderen waarvan de moeder bij haar geboorte niet de Belgische nationaliteit had, ligt met 33,5% veel hoger dan de kansarmoede-index van 6,1% bij kinderen met een moeder van Belgische origine.
  • De kansarmoede-index is in elke provincie toegenomen. Toch zijn er grote provinciale verschillen. In Antwerpen ligt de index met 17,6% het hoogst, in Vlaams-Brabant het laagst met 8,3%.
  • De kansarmoede is vooral in de centrum- en grootsteden toegenomen. 50,9% van de kinderen in kansarmoede leeft in 13 steden (2 grootsteden en 11 centrumsteden).

Verklaringen voor de stijging op niveau Vlaams gewest
Dat de kansarmoede toeneemt, wordt vooral beïnvloed door de sterkere stijging van de kansarmoede-index bij kinderen met een moeder van niet-Belgische origine. Daarnaast neemt het aandeel kinderen met een moeder van Belgische origine af wat zorgt voor een toegenomen aandeel van kinderen met een moeder van niet-Belgische origine in de populatie jonge kinderen.

De kansarmoede-index wordt berekend als een gemiddelde over kinderen uit de 3 meest recente geboortejaren (2015, 2016 en 2017). 

Door deze berekening van de kansarmoede-index werken kansarmoedecijfers uit een bepaald geboortejaar 3 jaar door op de index. Omdat de kansarmoede al enkele jaren na elkaar stijgt, is het logisch dat het nieuwe gemiddelde ook hoger ligt dan het vorige.

Conclusies
De stijging van de kansarmoede-index geeft aan dat heel wat kinderen in een minder kansrijke omgeving starten. Kansarmoede beperkt kinderen en volwassenen in hun kansen om voldoende deel te hebben aan maatschappelijk hooggewaardeerde goederen, zoals onderwijs, arbeid en huisvesting.

Andere armoede-indicatoren bevestigen dat. RIZIV-cijfers tonen aan dat 13,5% van de 0- tot 5-jarigen recht heeft op de verhoogde tegemoetkoming. In het systeem van de kinderbijslag is er ook een toename van het aantal jonge kinderen in het systeem van de gewaarborgde kinderbijslag.

De kansarmoede-registratie is een momentopname kort na de geboorte. Als ouders nadien werk of een betere huisvesting vinden of een opleiding volgen, dan leidt dit niet tot een nieuwe beoordeling op de 6 kansarmoede-criteria.

Ondanks het feit dat de kansarmoede-registratie een momentopname is, zijn deze cijfers een krachtig signaal. Het is essentieel om alle krachten te bundelen en zo veel mogelijk kinderen alle kansen op korte en lange termijn te geven zodat zij volwaardig kunnen deelnemen aan onze samenleving.

Beleidsinspanningen en duurzame investeringen op federaal, Vlaams en lokaal niveau blijven absoluut noodzakelijk om kansarmoede structureel aan te pakken en zo kinderen uit de kansarmoede te halen. Een sterk verankerd, lokaal sociaal beleid waarbij alle actoren de handen in elkaar slaan, is daarbij cruciaal.

Meer info
Bekijk alle dynamische cijfers en grafieken op de website van Kind en Gezin.

Inspirerende praktijken in de strijd tegen kansarmoede
Kind en Gezin onderstreept het belang van een brede intersectorale samenwerking en steunt lokale projecten en inspirerende praktijken waarbij allerlei lokale actoren geïntegreerd werken.

In elke provincie zijn er veel sterke cases die lokaal inzetten op ondersteuning van de gezinnen, ook de meest kwetsbare.

Vandaag zijn er 153 Huizen van het Kind die samen 210 gemeenten bereiken in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstelijke Gewest. Dankzij de grote variëteit aan actoren die zich engageren in de Huizen van het Kind is er aandacht voor geestelijk welbevinden, kinderopvang, prenatale begeleiding, huisvesting, inkomen, tewerkstelling, onderwijs, cultuur, sport, … Belangrijk is de aandacht voor zowel diensten als activiteiten. Het verbinden van diensten is cruciaal om geïntegreerd te werken en goed te kunnen verwijzen. Dankzij de betrokkenheid en activiteiten van buitenschoolse kinderopvang, jeugdwerk, cultuur, … worden ouders en kinderen betrokken en wordt geïntegreerd werken mogelijk.
Met de subsidieoproep van februari 2018, gericht aan gemeenten waar er nog geen gesubsidieerd Huis van het Kind is, en de ‘Roadmap Huizen van het Kind’ ondersteunt Kind en Gezin de ambitie van minister Vandeurzen om in 2019 overal in Vlaanderen en Brussel Huizen van het Kind te hebben.

Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Jo Vandeurzen en de familie Vergnes sloegen in 2017 de handen in elkaar voor een vernieuwend aanbod van basisvoorzieningen voor kwetsbare gezinnen onder de naam KOALA. Dat letterwoord staat voor ‘Kind- en OuderActiviteiten voor Lokale Armoedebestrijding’. In 18 Vlaamse steden en gemeenten en in het Brussels Gewest kwam er in maart 2018 een nieuw aanbod gezinsondersteuning in combinatie met extra plaatsen kinderopvang, geïntegreerd binnen de Huizen van het Kind. In totaal worden zo meer dan 500 bijkomende plaatsen voor kwetsbare kinderen in de kinderopvang gerealiseerd. Dankzij groepsgerichte activiteiten, vanuit de partners gezinsondersteuning, voor ouders en kinderen wordt de toegankelijkheid van kinderopvang en andere voorzieningen verhoogd.

Dankzij de middelen van het Europees Fonds voor Asiel, Migratie en Integratie (AMIF) werden in 8 Vlaamse steden in 2016 proeftuinen ‘Inburgering op maat voor laaggeletterde vrouwen met jonge kinderen’ georganiseerd. Zo kregen kwetsbare, anderstalige moeders en hun kinderen extra kansen. Kind en Gezin was betrokken partij rond het luik opvoedingsondersteuning en kinderopvang. Inburgering en Basiseducatie namen de andere luiken op. In Tienen bijvoorbeeld zorgde dit project ervoor dat 15 kwetsbare mama’s uit o.a. Syrië, Afhanistan en Irak en hun kinderen op maat ondersteund werden qua taal, inburgering en opvoedingsvragen.
Tegelijk was er een aanbod voor de jonge kinderen. In maart 2017 startten nieuwe AMIF-groepen. Het succes van dit AMIF-project zorgde ervoor dat in tal van steden en gemeenten gelijkaardige initiatieven werden en worden opgezet.


Sarah: 'Ik kom uit Afghanistan en ben sinds oktober 2012 in België', vertelt Sarah. Zij is een van de mama’s die in Tienen in het AMIF-project stapte. 'Toen Huguette van Kind en Gezin bij mij thuiskwam, vertelde ze over de bijeenkomst. Voor mij was het leuk om samen te komen met andere mama’s uit andere culturen en om Nederlands te leren. Ik heb 3 kinderen en de jongste kon ik meenemen. De vrijwilligers letten goed op hem als ik in de les zat. Ondertussen ben ik verhuisd. De bijeenkomsten gaven me zelfvertrouwen en nu ben ik als vrijwilliger tijdens de middagpauze aan de slag op de school van mijn zoontje! Dankzij het AMIF-project!'

Verpleegkundige Katrien over het AMIF-project in Geraardsbergen: 'We zijn vertrokken van de vragen van de mama’s. Hoe werkt het openbaar vervoer? Wat kan ik doen in mijn vrije tijd? Hoe ontwikkelt mijn kind? Afhankelijk van het thema werkten we een activiteit uit waarbij de mama’s hun talenten konden inzetten. We wisselden samen tips uit rond slapen, gingen op bezoek bij een kinderopvang, de bibliotheek, ... Zo namen de vrouwen met succes deel aan de lokale gemeenschap. Nadien werden alle kinderen ingeschreven in de kinderopvang of op school. Ik heb de mama’s toegeleid naar de bijeenkomsten en mijn kennis over opvoedingsondersteuning ingezet. Ik leerde kijken met een andere bril. De vertrouwelijke sfeer tijdens de bijeenkomsten en de intensieve en langdurige contacten met de mama’s en kindjes waren heel bijzonder. Ook bij de mama’s, die elkaar voordien niet kenden. In eenvoudig Nederlands gaven ze elkaar tips, steunden ze elkaar en merkten ze dat ze niet alleen waren met hun vragen en problemen. Ik had nooit durven dromen dat het zo goed zou lopen. Het is nu heel belangrijk dat ons project een verankering krijgt in de verdere werking. Want ik heb gemerkt dat mama’s en kinderen samenbrengen werkt.'