Fasen van successieve taalverwerving

Als een kind eerst een basis in legt in één taal (thuistaal) en een tweede taal op een later moment leert, spreken we van successieve taalontwikkeling. Een stevig ontwikkelde thuistaal bevordert het leren van een nieuwe taal. De verwerving van de tweede taal verloopt in 4 fasen. 

Stille periode of non-verbale periode

Als een kind in een nieuwe taalomgeving komt (bv. een Turkstalig kind gaat voor het eerst naar een Nederlandstalig kinderdagverblijf) probeert hij of zij eerst de taal te gebruiken die hij of zij al kent. Het kind zal merken dat de taal die in de nieuwe omgeving gesproken wordt, niet zijn thuistaal is. Vele kinderen komen dan in een stille of non-verbale periode.

Dit is geen passieve periode. Het kind is ‘stil’ in één taal, maar daarom niet in zijn of haar thuistaal. Het kind heeft deze periode nodig om actief te luisteren, zijn of haar omgeving te verkennen, nieuwe ervaringen te begrijpen en nieuwe betekenissen te ontwikkelen. Blijf daarom ook actief met hem of haar communiceren, ook al volgt er vaak geen verbale reactie. Het kind probeert al zijn of haar vergaarde kennis te linken aan de nieuwe taal en context.

  • Eerst komt het begrijpen, dan pas het spreken. Push het kind niet om de tweede taal te spreken voor hij of zij zich zelfzeker genoeg voelt.
  • Het kind kan gebaren of zijn of haar thuistaal gebruiken om te antwoorden op een vraag of zijn of haar noden aan te geven. Ga hier positief mee om.
  • Verbied een kind niet om de thuistaal te gebruiken. Dit problematiseert de non-verbale periode en helpt niet om de tweede taal vlugger of beter te verwerven
  • Moedig alle pogingen om te spreken aan. 

Formuletaal

Een kind gebruikt stukjes van zinnen om te communiceren op sociaal niveau, bv. ‘mijn beurt’. Het kind begint taal die vaak herhaald wordt in verhalen of liedjes te imiteren. Sommige kinderen gebruiken delen van zinnen die vaak samen voorkomen als één woord, bv. ‘in de mand’ voor het woord ‘mand’.

Een kind spreekt een tijdje met stukjes zinnen en gaat meer en meer één-woord-zinnen gebruiken die verschillende taalfuncties uitvoeren, bv. vragen, antwoorden, benoemen – ‘Ik?’, ‘Ik.’, ‘Ik!’

Telegrafische zinnen

In de derde fase begint een kind twee- of driewoordzinnen te gebruiken, de telegrafische zinnen (bv. ‘mijn zus sjaal’). Het hoofddoel is zich verstaanbaar te maken. Het kind gebruikt vaak non-verbale handelingen tijdens het spreken.

Eenvoudige zinnen

Later gebruikt een kind eenvoudige zinnen, met fouten in meervouden, vervoegingen, persoonlijke voornaamwoorden en lidwoorden. Die fouten zijn stapjes in de ontwikkeling en dus helemaal niet erg. Het hoofddoel blijft zich verstaanbaar te maken.

Stilaan krijg het kind de functionele taal meer en meer onder de knie. Maar aspecten van de eerste taal zullen de tweede taal voor een tijd beïnvloeden.

Berisp een kind niet als hij of zij een taalfout maakt, maar reageer door in het antwoord de juiste vorm aan te bieden. Expliciete verbetering schaadt de zelfzekerheid van je kind.