Fasen in de ontwikkeling van gehechtheid


Het eerste levensjaar

Bij de geboorte is een baby volledig afhankelijk van anderen. Hij is in deze periode nog niet aan iemand gehecht, maar zorgt er wel voor dat er iemand in zijn buurt blijft om hem te verzorgen. Hij gebruikt hiervoor loksignalen zoals huilen, zuigen, (glim)lachen, volgen met de ogen, ...

Een baby verkent zijn omgeving door te voelen, kijken, horen en proeven. Hij krijgt bepaalde indrukken van wat er om hem heen gebeurt en geeft een eigen betekenis aan dingen en mensen. Zo leert hij zichzelf te onderscheiden van zijn omgeving.

In het eerste jaar zijn de belangrijkste relaties beperkt tot enkele opvoeders: de moeder, de vader, begeleider in de opvang,... Het kind bouwt in die eerste periode een vertrouwensrelatie op met de personen aan wie het gehecht is. Als deze personen voortdurend en goed voor hem zorgen, geeft dit vertrouwen en voorspelbaarheid. Op die manier krijgt de baby een veilig gevoel. Na verloop van tijd leert de baby dat na korte periodes van scheiding de vertrouwde figuur elke keer terugkomt. Op die manier ervaart hij zijn eigen zelfstandigheid. Zo wordt stilaan een begin van zelfvertrouwen ontwikkeld.

Een kind leert ook dat het een invloed kan hebben op de relatie met de verzorger. ‘Als ik lach, lacht hij terug en als ik huil, wordt er voor mij gezorgd.’ Het kind hoort hoe zijn belevenissen worden verwoord door de volwassene en wordt zich bewuster van zichzelf. Het zal na enige tijd bepaalde klanken en gebaren gebruiken om reacties uit te lokken.

  • Vanaf 3 maanden maakt een baby een onderscheid tussen volwassenen. Zolang de vreemde volwassene vriendelijk blijft, wordt hij niet bang.
  • Vanaf 6 maanden kan een kind zich stilaan een beeld voor ogen houden van zijn moeder en zijn vader. Naarmate het ouder wordt en zijn geheugen zich verder ontwikkelt, kan het dit beeld steeds langer vasthouden. Het is door het basisvertrouwen in de ouder dat een kind vertrouwen krijgt in de opvang. Wanneer de cultuur, de taal, de eet- en slaapgewoonten, de manier van troosten en de manier van verzorging van thuis niet overeenstemmen met de gewoonten in de opvang, kan er een breuk in het vertrouwen ontstaan. Vandaar het enorme belang van het afstemmen tussen het thuismilieu en het opvangmilieu.
  • Een baby van 6 à 8 maanden gaat op een duidelijke manier zijn gehechtheid tonen aan één of meer personen. De angst voor vreemden en de angst om van de ouder gescheiden te worden kan vanaf nu duidelijker aanwezig zijn. Hij klampt zich vast aan de bekenden en gedraagt zich angstig bij onbekende personen.

Het tweede levensjaar

Een kind kan in zijn tweede levensjaar, door het toegenomen vertrouwen, meer en meer afstand nemen van de personen aan wie het gehecht is en op ontdekking gaan.

Als peuter kan hij zich het beeld van zijn moeder of van een ander veilig persoon herinneren, bv. terwijl hij in de opvang is. Zijn knuffel kan een kind troost bieden.

Een kind kruipt en leert lopen. Het wordt zindelijk. Het leert nee zeggen. Het ik-besef maakt een hele ontwikkeling door. Het noemt zichzelf bij de naam die het van zijn ouders gekregen heeft en onderscheidt zich daardoor van anderen.

Een kind begint ook uiterlijke verschillen op te merken. De duidelijkste verschillen, zoals het hebben van een piemel of een spleetje en het verschil in huidskleur, worden het eerst opgemerkt. Het besef tot een bepaalde groep te behoren, gaat stilaan ook samen met het besef dat het niet tot een andere groep behoort.

Een kind gaat in deze fase ook erg op in zijn fantasiespel. Het experimenteert met wat het betekent om al dan niet tot bepaalde groepen te behoren. In zijn fantasie speelt het typisch mannelijke of vrouwelijke rollen. Het houdt er in het begin vaak heel stereotiepe beelden op na. Mama kookt en wast en papa werkt in de tuin.

Een belangrijke rol in het ik-besef is weggelegd voor de spiegel. Het kind ontdekt zijn eigen spiegelbeeld. Daarvoor was het zelfbeeld louter denkbeeldig. Nu beseft een kind dat het klein is, ... Ook begint het te beseffen hoe anderen naar hem kijken. De blik van de ander kan ondersteunend werken of kan een bron van frustratie zijn. De eerste kwetsuren in het zelfbeeld kunnen gevormd worden. Het is ook in deze periode dat een kind zichzelf in de eerste persoon noemt en niet meer zegt ‘Mauro wil eten’, maar ‘Ik wil eten’.

De kleuterleeftijd

Voor een kleuter gaat het besef van ‘welke persoon ben ik’ verder dan het geslacht en de huidskleur. Een kleuter begint steeds meer verschillen in cultuur op te merken, zoals taal, kledij, voeding, gebruiken, gedragingen, lichaamstaal, ... Het probeert de wereld een stuk beter te begrijpen door veralgemeningen te maken en categorieën te gebruiken. Een kind dat op deze leeftijd nog nooit een persoon met een handicap of een andere huidskleur heeft gezien, zal hier misschien bang op reageren. 

Een kind is heel alert op reacties uit de omgeving. Door de houding van de volwassenen en door beelden in de media zal het zich onbewust een beeld vormen van wat hoort en wat niet hoort. Volwassenen hebben in deze periode een grote invloed op het al dan niet doorzetten van die prille vooroordelen en eerste stereotypes.

Een kleuter ervaart dat de normen sterk kunnen verschillen van groep tot groep. Hij identificeert zich niet alleen met volwassenen, maar ook met leeftijdsgenoten of kinderen die net iets ouder zijn en een zeker ‘prestige’ genieten. De kleuter zal zich thuis anders gedragen dan in de klas en anders op de speelplaats dan bij oma.

Meestal geeft dat geen problemen, op voorwaarde dat die verschillende milieus zich niet vijandig tegenover elkaar opstellen en dat iedereen elkaars taal gebruiken, normen en waarden respecteert. Anders dreigt er een loyaliteitsconflict als het kind het gevoel heeft dat ‘goed doen voor de ene’ per definitie ‘slecht doen voor de andere’ is.

De schoolleeftijd

Vanaf 7 à 8 jaar komt de periode van het ordenen van de wereld volgens logische wetten. Het is een periode van grote nieuwsgierigheid Een periode van ordenen en classificeren van postzegels, voetbalprentjes, maar ook het indelen van mensen in allerlei categorieën. Een kind wil dingen maken, zijn grenzen aftasten, nuttige dingen doen op school, in de wijk, in de buurt, ...  Een kind gaat in competitie met anderen. Wie is het snelst? Wie plast het verst? Wie weet het meest?

Als een kind door zichzelf en door anderen als vaardig beschouwd wordt, zal het zich goed voelen in deze periode van competitie en zal het een plaats verwerven tussen leeftijdsgenoten. Het wil zich aansluiten bij een groep en niet als uitzondering gezien worden.

In zijn moreel oordelen kan het al nuanceren. Vanaf 8 jaar is een kind bijzonder alert op morele codes en heel geïnteresseerd in ethische thema’s als ecologie, broederschap, naastenliefde en solidariteit. Het is een periode waarin vooroordelen kunnen verminderen en plaats maken voor respect en verdraagzaamheid, als begeleiders hier op een gepaste wijze aandacht aan schenken.

Bekijk ook ...