Per leeftijd


van 0 tot 12 maanden

  • Maak samen een praatje. Bij oogcontact zal het kindje geboeid zijn door het gezicht van de ouder of begeleider. Een beweging van het hoofd, een grimas, een stemgeluid zal het kind nauwlettend bekijken of beluisteren.
  • Klap eens in de handen en zing een liedje. Neem de handjes van de baby vast en beweeg ze naar elkaar toe. Al snel zal hij zelf in zijn handen klappen tijdens het zingen.
  • Schootspelletjes. Laat het kind je gezicht bekijken en betasten. Gekke geluiden en grimassen brengen het aan het lachen.
  • Kiekeboespelletjes. Hou de handen voor de ogen, trek ze plots weg en roep ‘kiekeboe’. Hou een handdoek voor het gezicht en laat de baby de handddoek wegtrekken. Zeg dan ‘piep’.
  • Bij het herhalen van eenzelfde liedje, zal het kind vlug de melodie en later de woorden herkennen. Neurie of fluit terwijl en dans of wieg met het kindje. 
  • Spiegelspelletjes. Ga geregeld met het kind voor de spiegel staan. Wijs het aan in de spiegel en vraag wie dat is. Borstel zijn haar voor de spiegel, zwaai eens met zijn handje of hou een popje achter zijn rug en laat dat in de spiegel bewegen.
  • Tafelspelletjes. Zit samen met de baby aan tafel en sla samen met de handen op de tafel. Leg dingen op tafel leggen die de baby kan grijpen.
  • Bekijk samen dingen en praat over de dingen die zijn aandacht trekken: de radio, de cd’s, een deur die open- en dichtgaat.
  • Samen op de vloer: de kruipende baby vindt het erg spannend als hij achterna gekropen wordt. Ga voor hem zitten, rol een bal naar hem toe en moedig hem aan om hem terug te rollen. 
  • Nabootsspelletjes. Doe iets voor (in de handen klappen, zwaaien, geluidjes maken, …). Bootst het kind dat na, herhaal het dan.
  • Vingerspelletjes. Pak de vingertjes van het kind één voor één vast en zeg een versje op. Bv. 'Naar bed, naar bed, zei Duimelot. Eerst nog wat eten, zei Likkepot. Waar zal ik het halen, zei Lange Jaap. In grootmoeders kastje, zei Ringeling. Ik zal het verklappen, zei ’t kleine ding.'
  • Aangeefspelletjes. Het kind geeft voorwerpen aan, die jij vervolgens teruggeeft.

van 12 tot 18 maanden

  • Kijk samen in een boekje of voelboekje kijken en vertel erover. Maak zelf een boekje met prenten en foto’s.
  • Praat met een marionet. Gebruik hiervoor een handpop of een oude sok. Laat de pop bewegen, vertellen, dansen of een handje geven. Het kind zal snel antwoorden als de pop iets vraagt.
  • Blaas zeepbellen.
  • Speel voor de spiegel. Het kind zal zichzelf beginnen te herkennen in de spiegel.
  • Evenwichtsspelletjes. Ga op de knieën zitten en neem de handjes van het kind vast en wieg samen op de muziek.

van 18 maanden tot 3 jaar

  • Balspelletjes. Ga tegenover elkaar zitten en rol de bal naar elkaar toe. Ga telkens een stukje verder uit elkaar zitten. Hou een grote doos vast en laat het kind de bal erin gooien. Trap samen tegen de bal.
  • Speel verstoppertje met elkaar of verstop een voorwerp.
  • Knap samen huishoudelijke karweitjes op.
  • Ga naar buiten, naar het park, naar het bos of op de straat.
  • Fantaseer voor het kindje. Vertel verhaaltjes, speel poppenkast, speel winkeltje, …

lagere schoolkinderen

Als een kind leert lezen en schrijven, gaat er een nieuwe wereld open. Een kind dat in de lagere school zit, wil dingen maken, zijn grenzen aftasten, nuttige dingen doen op school of in de buurt. Het gaat in competitie met anderen. Als het door zichzelf en door anderen als vaardig wordt beschouwd, zal het zich goed voelen in deze periode van competitie en verwerft het een plaats tussen leeftijdsgenoten.

Tips

  • Een kind blijft heel toegankelijk voor fantasiespelen, maar tegelijk groeit zijn interesse voor het concrete dagelijkse leven: doen-alsof-spelen, rollenspelen, zich inleven in de miniwereld van poppenhuizen en poppenkast, ...
  • Het lichaam wordt beleefd als gebruiksinstrument. Dit zijn de jaren van behendigheid en beweeglijkheid. Experimenteren met nieuwe motorische vaardigheden, sport, ...
  • Het kan er uitbundig en wild aan toe gaan. Een kind heeft ruimte en buitenspel nodig.
  • Een kind is gevoelig voor competitie: estafetten, gezelschapsspelen, bosspelen, ...
  • Groepsspelen en georganiseerde spelen blijven rond 6 en 7 jaar het best eenvoudig. Stilaan leren kinderen hun eigen spel organiseren, geef hen hier de ruimte voor.
  • Leeftijdsgenoten worden steeds belangrijker. Er ontstaan clubjes die samen ‘projecten’ opzetten: kampen bouwen, een skateparcours opzetten, ... De opbouw, organisatie en voorbereiding hiervan en het experimenteren met materiaal is minstens zo belangrijk als het resultaat. Deze fase wordt ook wel de Robinson-fase genoemd. Een kind uit de lagere school houdt van spanning, uitdaging, fysieke inspanning en avontuur. Zorg voor een evenwicht tussen deze samenwerkingsspelen en competitiespelen.
  • Naast het actieve groepsspel gaat het kind meer en meer kiezen voor passieve activiteiten: lezen, video- of tv-kijken, computerspelletjes. Die activiteiten helpen om bepaalde belevingen te verwerken, om geconfronteerd te worden met ‘volwassen’ vragen.
  • Een kind praat graag over de wereld rondom hem en over de grote en kleine vragen die het zich bij de wereld stelt.
  • De lagere schoolleeftijd is de tijd van de mopjes en de raadsels. Hier kan een kind o.a. zijn lichamelijke en seksuele nieuwsgierigheid in kwijt en leert het dubbele betekenissen begrijpen en gebruiken.
  • Een kind is technisch gericht bezig. Het leert graag technieken, het gebruikt ze graag als expressie en vooral moeilijke dingen (quizzen, moeilijke puzzels maken, ...) dagen het uit. Werken met thema’s en met open opdrachten werkt inspirerend en wakkert de creativiteit aan.