Fasen

Als een kind in een nieuwe taalomgeving komt (bv. een Turkstalig kind gaat voor het eerst naar een Nederlandstalig kinderdagverblijf) gaat het eerst de taal proberen te gebruiken die het al kent. Het kind zal merken dat de taal die in de nieuwe omgeving gesproken wordt, niet zijn thuistaal is. Vele kinderen komen dan in een stille of non-verbale periode.

Fasen van het tweedetaalverwervingsproces

Stille periode (of ‘non-verbale periode’)

Dit is geen passieve periode. Het kind is ‘stil’ in één taal, maar daarom niet in zijn thuistaal. Het heeft deze periode nodig om actief te luisteren, zijn omgeving te verkennen, nieuwe ervaringen te begrijpen en nieuwe betekenissen te ontwikkelen. Blijf daarom ook actief met hem communiceren, ook al volgt er vaak geen verbale reactie. Het kind probeert al zijn vergaarde kennis te linken aan de nieuwe taal en context.

  • Eerst komt het begrijpen, dan pas het spreken. Let wel dat een kind zich niet gepusht voelt om de tweede taal te spreken voor het zich zelfzeker genoeg voelt om dit te doen.
  • Gedurende deze periode zou het kunnen dat het kind non-verbale gebaren of zijn thuistaal gebruikt in antwoord op een vraag of om zijn noden aan te geven. Ga hier positief mee om. Een kind verbieden om de thuistaal te gebruiken problematiseert de non-verbale periode en helpt het niet om de tweede taal vlugger of beter te verwerven. Meestal imiteert het kind eerst woorden en enkele korte zinnen, die vaak gebruikt worden door de begeleider en andere kinderen (bv. ‘plassen’ of ‘pipi doen’).
  • Alle pogingen die het kind onderneemt om te spreken zouden aangemoedigd en geprezen moeten worden.

Fase van formuletaal

Een kind ontwikkelt een ‘formuletaal’ (stukjes zinnen) om te communiceren op sociaal niveau (bv. ‘Mijn beurt’, ‘Mama komt zo’, ‘Ik klaar’). Het begint mee te doen met het produceren van taal die vaak herhaald wordt in verhaaltjes of liedjes. Sommige kinderen gebruiken ook delen van zinnen die vaak samen voorkomen, als één woord, zoals 'in de mand' voor het woord 'mand'.

Het spreken met stukjes zinnen zal even blijven duren, maar het kind gaat meer en meer  één-woord-zinnen (vaak zelfstandige naamwoorden) gebruiken die verschillende taalfuncties uitvoeren (bv. vragen, antwoorden, benoemen – ‘Ik?’, ‘Ik.’, ‘Ik!’).

Telegrafische zinnen

Dan begint een kind met zijn eigen ‘telegrafische’ zinnen (twee- of driewoordzinnen, bv. ‘mijn zus sjaal’). Functiewoorden laat het vaak weg omdat het hoofddoel is zich verstaanbaar te maken. Non-verbale handelingen komen samen met het spreken.

Eenvoudige zinnen

Later gaat een kind eenvoudige zinnen produceren met fouten in het gebruik van meervouden, vervoegingen, persoonlijke voornaamwoorden en lidwoorden. Die foutjes zijn helemaal niet problematisch, maar stapjes in de ontwikkeling. Opnieuw ligt het hoofddoel bij het zich verstaanbaar maken.

  • Stilaan krijgt het kind meer en meer controle over het gebruiken van functionele taal. Maar aspecten van de  eerste taal zullen de tweede taal voor een tijd beïnvloeden. Volwassenen accepteren best wat het kind zegt en kunnen het daarna anders verwoorden om het juiste model aan te geven. Expliciete verbetering schaadt hun zelfzekerheid. In het algemeen begrijpt het kind dat er grammaticale structuren zijn in de tweede taal.