Positief opvoeden


Iedereen kan positief opvoeden

Iedere opvoeder kan de principes van positief opvoeden toepassen. Het kind tonen dat je het graag ziet is meestal niet moeilijk. Omgaan met ongewenst gedrag daarentegen vraagt soms veel energie.

  • Werk aan een warme relatie. Dat kan door goed te kijken en te luisteren naar wat het kind nodig heeft en daarop in te gaan.
  • Tracht altijd op een positieve manier naar een kind te kijken. Elk kind is anders en kan andere dingen. Dit heeft zowel te maken met wie het kind is als met de leeftijd en de ontwikkeling van het kind. Daarom is het belangrijk om een kind goed te leren kennen. Blijf altijd oog hebben voor wat het kind goed doet en goed kan.
  • Probeer in de omgang met een kind gebruik te maken van positieve opvoedingsvaardigheden. Kinderen leren het meest van positieve aandacht en steun. Hiervoor moet een kind geen superprestaties leveren. Je kan best veel complimentjes geven voor alledaagse dingen.
  • Wees heel duidelijk over wat jij wil. Als een kind iets doet wat je niet wil, kan je daar het best snel en duidelijk op reageren.
  • Het spreekt voor zich dat het belangrijk is dat je ook goed voor jezelf zorgt. Als jij jezelf goed voelt, zal het makkelijker zijn om er te zijn voor een kind.

Tips om positief op te voeden

  • Geef een baby blijk van je affectie door hem te knuffelen, te aaien, te wiegen, liefdevol toe te spreken, … Veel peuters houden er ook van om geknuffeld te worden, maar wel als zij er zin in hebben. Ze zitten ‘op de wip’. Ze voelen zich groot en ze hebben jouw warme nabijheid broodnodig om nog eens lekker klein te kunnen zijn.
  • Als een baby kirt of met zijn handjes tegen een speelgoedje tikt reageer hier dan enthousiast en spontaan op. Jouw enthousiasme geeft de baby een goed gevoel en zet hem aan tot meer. Laat een ouder kind altijd merken wanneer het iets goeds doet. Zeg spontaan ‘Hoe mooi!’ als het kind je een tekening brengt, ook al zijn het grote kribbelkrabbels.
  • Benoem de dingen die het kind ziet of doet. Bv. In de tuin loopt niet zomaar een dier, maar een poes. Op de prenten in boeken staan bloemen, vogels, paarden. Wijs op de relaties tussen van alles en nog wat. Bv. Toon je een schaap in een boek, dan kan je vragen of het zich nog het schaap herinnert dat in de wei langs de straat stond. Zo leert het kind op een heel eenvoudige manier dat heel wat dingen in de wereld met elkaar te maken hebben.
  • Elk kind heeft een eigen ontwikkelingstempo. Probeer een kind niet te forceren. Bv. een dreumes van anderhalf jaar kan niet de hele zitkamer alleen opruimen; het kan wel samen wat boekjes wegleggen of alle poppen in de bak leggen.
  • Geef kinderen de kans en tijd om te experimenteren. Laat de peuter zelf zijn kleren uitdoen of een puzzel maken ook al gaat dat nog traag. Probeer je peuter aan te moedigen om uit te zoeken hoe hij een oplossing kan vinden.
  • Praat over gevoelens, geef aan dat je ze ziet en begrijpt. Bv. Is het kind bang, vertel dan wat over bang zijn. Iedereen is wel eens bang, ook grote mensen. Het bang zijn moet niet blijven duren, je kan proberen om er iets aan te doen. Praat ook over bijzondere gebeurtenissen zoals de geboorte van een broertje of zusje en doe dat bijvoorbeeld aan de hand van een kinderboekje.
  • Belonen kan je met een knuffel, een kusje, een dikke duim, een bravo, een brede glimlach, een liedje zingen, een applaus, herhalen wat hij fijn vindt, …
  • Doet je kind iets wat je niet wil, bied het dan een alternatief. Zeg kort wat niet mag en vertel erbij wat wel kan, bv. een zachte bal binnen of schoenen aan en buiten spelen met de bal.
  • Een baby hecht zich aan gewoonten. Als een baby altijd in zijn bedje gelegd wordt als hij nog net wakker is, leert hij op eigen kracht in slaap te vallen. Wordt de baby telkens in slaap gewiegd, dan zal hij dat nodig hebben om overdag én ’s nachts opnieuw in slaap te vallen.
  • Een peuter experimenteert en ontdekt de wereld. Om niet de hele dag alles te moeten verbieden, kan je erover nadenken welke dingen echt niet kunnen voor jou. Probeer daar altijd op dezelfde manier op te reageren. In elk gezin gaat het om andere dingen: aan lichtschakelaars komen, de afstandsbediening van de tv uitproberen, aan sleutels draaien, …
  • Als je ergens voor de eerste keer op bezoek komt, laat je peuter dan zelf beslissen of hij nog graag dicht bij jou blijft tot hij zich veilig genoeg voelt om de nieuwe kamer, de andere mensen, … te ontdekken. Je kan van op een afstandje regelmatig met een knipoog tonen dat je er bent als hij je nodig heeft.
  • Soms weten kinderen niet goed wat ze kunnen doen. Help je peuter als hij zich verveelt en zet hem op weg met een andere activiteit. Zorg voor speelgoed of activiteiten voor binnen en buiten, aangepast aan de leeftijd en de  interesses van je kind.
  • Maak elke dag tijd vrij om samen met je peuter te spelen en kies dingen uit die jullie allebei leuk vinden.
  • Als een ouder moe en geïrriteerd thuiskomt en niet veel meer kan verdragen, voelt een peuter dat. Vertel gerust aan een kind hoe je je voelt, bv. ‘Mama is niet boos, maar heel erg moe.’ Zo’n boodschap kan je kind geruststellen en leert het begrijpen dat er een reden is waarom mama vandaag ‘anders’ is dan anders.