Wanneer?

Er zijn heel wat belangrijke momenten om de handen te wassen.

Was je handen zeker vóór:

  • het bereiden en aanraken van het eten en de flesvoeding
  • het geven van borstvoeding
  • het eten en het eten geven
  • het verzorgen van een wonde
  • het aanbrengen van een crème of zalf
  • het geven van geneesmiddelen
Was je handen tenminste na:
  • aankomst op het werk, thuis, in het consultatiebureau, in de opvang 
  • het verluieren
  • hulp aan kindje op wc of potje
  • toiletbezoek
  • na contact met lichaamsvochten zoals speeksel, stoelgang, braaksel, wondvocht en bloed
  • verzorgen van een wonde
  • bij zichtbaar of voelbaar vuile handen
  • hoesten, niezen of (hulp bij) snuiten/reinigen van de neus (ook bij gebruik van een zakdoek)
  • buitenspelen
  • contact met vuil textiel, afval of de afvalbak
  • contact met (huis)dieren
  • schoonmaken. 
Tip: 
  • Hoest en nies in je elleboogplooi. Zo beperk je verspreiding van ziekteverwekkers via de handen.
  • Poets grondig de materialen en oppervlakken die je veelvuldig aanraakt, bv. leuning van de eetstoel, telefoon, deurklinken, ...

Leer kinderen hun handen wassen:

  • vóór elke maaltijd
  • na toiletbezoek
  • na hoesten, niezen en snuiten
  • na buitenspelen
  • na het aanraken van huisdieren
  • bij zichtbaar of voelbaar vuile handen
De campagne 'Handjes wassen met Handige Hans' biedt heel wat inspiratie.

In de opvang

De kans om in contact met ziektekiemen te komen is groter bij groepen dan thuis, omwille van de vele contacten, het delen van speelgoed en het delen van verzorgingsmateriaal.