Wanneer niet?

Borstvoeding geven kan niet:

  • bij overmatig alcoholgebruik
  • bij druggebruik
  • bij een bepaalde medische behandeling (bv. chemotherapie)
  • bij besmetting met het hiv-virus
  • als het kind een bepaalde stofwisselingsziekte heeft (bv. galactosemie)
  • als de moeder actieve onbehandelde tbc heeft
  • bij radioactieve middelen voor therapeutische doeleinden 
  • acute CMV infectie bij de moeder als ze borstvoeding geeft en de baby is te vroeg geboren (<1500 g)

Bij radioactieve middelen voor diagnostische doeleinden is de borstvoeding voor een bepaalde tijd onderbreken (afkolven en melk weggooien) meestal voldoende. Bespreek dit met de behandelende arts.

Ten onrechte beschouwd als contra-indicatie

  • Bij dragers van het hepatitis B-virus, wordt de baby onmiddellijk na de geboorte gevaccineerd en worden antistoffen toegediend, waardoor de kans op overdracht naar de baby uitgesloten is.
  • Hepatitis C
  • Meestal is het innemen van antibiotica geen reden om de borstvoeding te stoppen. Sommige soorten van antibiotica zijn schadelijk, maar de arts kan een minder schadelijk antibioticum voorschrijven.
  • Borstvoeding geven bij een postnatale depressie is mogelijk. Het gebruik van bepaalde anti-depressiva is combineerbaar met borstvoeding.
  • Bij herpes-simplex-laesies op de borst moet direct contact vermeden worden. Als het herpesblaasje ver verwijderd is van de tepelhof, plak dan het blaasje gewoon af met een pleister. Bevindt het blaasje zich in de buurt van de tepel, kan aanleggen tijdelijk enkel aan de andere borst, terwijl de melk van de geïnfecteerde borst afgekolfd en weggegoten wordt tot het genezen is.