Soorten

  • mondtechnische eetproblemen: bv. een kindje kan onvoldoende melk aanzuigen door een defect aan zijn verhemelte.
  • medisch-biologische eetproblemen: bv. een kindje heeft een hartafwijking, zweet veel en zuigt niet krachtig genoeg.
  • gedragsmatige eetproblemen: door een verkeerde aanpak eet een kind selectief of weigert het eten.

Sommige problemen zijn aangeboren, andere ontstaan later door een verworven afwijking of syndroom (bv. coeliakie, het niet verteren van gluten of mucoviscidose, ziekte van de slijmklieren, ...):

  • Niet kunnen eten
    • door anatomische en/of functionele stoornissen: de mond kan niet normaal functioneren.
    • door hart- of longaandoeningen: het kind kan niet genoeg eten.
    • door een tekort aan stimulansen om nieuwe eettechnieken te leren.
    • niet in staat om deze nieuwe technieken te leren.
  • Niet moeten eten
    • na tijdelijke sondevoeding voelen kinderen niet de behoefte om zich in te spannen.
  • Niet willen eten
    • door onprettige ervaringen of afkeer van voeding door problemen aan het maag-darmkanaal, voedselallergie, hart- of longaandoeningen.
    • door gedragsstoornissen: kinderen eten niet of niet zoals de omgeving het wenst; dit is een onderdeel van de totale relatiestoornis tussen kind en omgeving.
    • door een aangeboren gebrek aan belangstelling voor voeding. 
    • door een fysiologisch kleine behoefte aan voeding; de oorzaak is vaak onbekend.
  • Niet durven eten
    • door onprettige ervaringen krijgt een kindje angst voor eten of voor bepaalde voedingsmiddelen. Dit komt vooral voor met vaste voedingsmiddelen, door het verstikkingsgevoel in de keel. 

Lichte eetproblemen

  • Geen honger hebben tijdens de maaltijd.
  • Bepaalde vorm van voedsel niet aanvaarden bv. vast voedsel, brokjes …
  • Selectief /eenzijdig eten.
  • Geen warm eten aanvaarden.
  • Niet zelfstandig willen eten.
  • Een sterke voedingsvoorkeur.

Ernstige eetproblemen

  • Selectieve weigering: het weigeren van bepaalde soorten voedsel.
  • Totale voedselweigering.