Inspiratie om spreekkansen te bieden

Voorbeeld om een gesprek te voeren

Kyran is nieuw in het kinderdagverblijf. De begeleider ziet dat ze niet tot spel komt. Kyran heeft wel een pop in haar handen. De begeleider gaat bij Kyran zitten. Dit is een voorbeeld naar Van den Branden (2010).

  • Begeleider: Ik ruik precies kaka. Heeft ze geen kaka gedaan? (Knijpt neus dicht) Beuh. Ik denk dat de pop een propere broek nodig heeft. Ik denk het. Ga jij ze een propere broek aandoen?
  • Kyran: Ja.
  • Begeleider: Ja? Gaan we eens kijken? Voor een propere broek. Ze heeft een propere broek nodig, denk ik.
  • (Begeleider staat op en gaat naar de poppenhoek. Kyran volgt met pop.)
  • Begeleider: Kom, leg ze hier maar eventjes op de tafel. Dan gaan we eens kijken. (Doet hand voor de mond en kijkt verwonderd.) Oei, ze heeft zelfs geen broek aan. Die heeft geen broek aan. Oh, dat is een baby zonder broek. Zullen we ze een broek aandoen? Ja (knikt ja) …of neen (knikt neen)?
  • Kyran: Ja.
  • Begeleider: Ja? We gaan eens kijken in de kast. Wil jij eens kijken? Zet je potje hier eventjes op (wijst naar de kast). Zet je potje hier eventjes op de kast (wijst opnieuw).
  • (Kyran reageert niet.)
  • Begeleider: Neen? Dit potje (wijst het potje aan) … daar eventjes opzetten (wijst opnieuw naar de kast).
  • (Kyran zet het potje op de kast.)
  • Begeleider: Ja. Dan kan je kijken in de kast.
  • (Flor, een meer taalvaardig kind, komt erbij staan.)
  • Flor: Baby moet knuffel hebben.
  • Begeleider: Moet ze ook een knuffel hebben? Ja, dat geloof ik. Het is veel leuker met een knuffel. En waar zijn die lintjes hier? Voilà. Nu heeft ze een broek aan. Is dat de knuffel voor de baby? Ja? Dat moet je aan Kyran geven, Flor. (Flor geeft de knuffel aan Kyran.) OK. Misschien gaat Kyran ze in bedje leggen of misschien gaat ze ermee wandelen. Ik weet het niet wat ze gaat doen. Ga je ze in bedje leggen …. of wandelen? In de buggy (wijst de buggy aan). Daar is de buggy. Zie je de buggy? Neen? Neen? (Kyran knikt neen.) Kies zelf maar.

Soorten vragen die je kunt stellen

Stel verschillende soorten vragen om je kind te stimuleren. 

  • Open vraag, bijvoorbeeld: Waar speel jij graag mee? 
  • Gesloten vraag, bijvoorbeeld: Eet je graag frietjes? 
  • Procesvraag, bijvoorbeeld: Hoe wil je die doos dichtmaken? 
  • Ervaringsvraag, bijvoorbeeld: Heb jij al eens een brandweerwagen gezien? 
  • Kennisvraag, bijvoorbeeld: Welk dier legt eitjes? 

Voorbeeld van doorvragen

Voorbeeld van een gesprekje waarbij de begeleidster doorvraagt, zodat het kind tot een succeservaring komt bij het spreken.

  • Jasmina: “Gespeeld, met ehhh van … Gabriëlle. Die die pop… . En met ze mama van supermarkt.”
  • Begeleidster: “Ah, heb je met Gabriëlle gespeeld?”
  • Jasmina: “Ja…”
  • Begeleidster: “Jullie hebben met de poppen gespeeld?”
  • Jasmina: “Ja, barbie.”
  • Begeleidster: “Jullie hebben met de barbiepoppen gespeeld?”
  • Jasmina: (knikt)
  • Begeleidster: “En toen zijn jullie met de mama van Gabriëlle naar de supermarkt geweest?”
  • Jasmina: “Ja, ook David.”
  • Begeleidster: “Wat leuk. Je hebt gisteren bij Gabriëlle gespeeld. Jullie hebben eerst met de barbiepoppen gespeeld en daarna zijn jullie naar de supermarkt gegaan. Samen met de mama van Gabriëlle, én met David. Wat goed verteld, Jasmina!”

Voorbeelden om over complexe zaken te praten

Minder complex Complexer
Hier-en-nu
Bv. praten over het pakje dat we aan het inpakken zijn
Daar-en-toen 
Bv. praten over de pakjes die we enkele maanden geleden gekregen hebben
Vage instructies
Bv. bouw eens een huis
Precieze opdrachten
Bv. bouw eens een huis met vier ramen, een grote tuin eromheen en een grote garagepoort waar de auto kan binnenrijden
Receptief
Bv. instructies begrijpen om een kaartspelletje te spelen
Productief
Bv. zelf vertellen hoe een kaartspelletje werkt, wat de regels zijn, wanneer iemand wint
Beschrijving van losse elementen
Bv. beschrijven wat je in het weekend hebt gedaan
Beschrijven van verbanden tussen elementen
Bv. beschrijven waarom je in het weekend niet naar de zoo bent kunnen gaan, hoe je je daarbij voelde en wat je tegen je slechte humeur hebt gedaan
Concreet
Bv. beschrijven wat je aan het drinken bent
Algemeen en abstract
Bv. hardop nadenken over hoe gezond je drankje is
Bekende wereld
Bv. praten over je eigen tekening
Onbekende wereld
Bv. praten over de prenten van een prentenboek dat zich in een ver land afspeelt

Bekende gesprekspartner
Bv. aan de begeleider vertellen hoe je samen met haar koekjes hebt gebakken

Minder bekende gesprekspartner
Bv. aan de mama van een ander kindje vertellen hoe je de koekjes hebt gebakken

Ik-perspectief
Bv. vertellen over wat je leuk vindt

Ander-perspectief
Bv. vertellen waarom een vriendje verdrietig is

 

 

Dit is een voorbeeld naar Van den Branden (2010).

Voorbeelden van mogelijke reacties op wat je kind zegt

  • Kind: Ik moet naar dokter!
  • Begeleider: En waarom moet je naar de dokter? Waar heb je pijn? (uitbreiding)
  • Kind: Beeboo!
  • Begeleider: Is je beer boos? (vragen ter bevestiging)
  • Kind: Kijk, frietjes!
  • Begeleider: Bwaa, frietjes, zo vies, gooi die maar vlug in de vuilbak! (uitdagen)
  • Begeleider: Wat heb je getekend?
  • Kind: Choco. Begeleider: Hmmm, en wie is die choco dan aan het opeten?
  • Kind: Ikke.
  • Begeleider: Huh? Dat is vreemd. Dat ventje dat de choco opeet, heeft een baard...
  • Kind: Ikke, ikke... baard.
  • Begeleider: Ah ben je dan verkleed? Heb je een baard opgeplakt? Zoals met carnaval? (doorvragen)
  • Kind: Ja ja. 
  • Kind: Been gebreekt!
  • Begeleider: Oei oei! Dat popje heeft haar beentje gebroken! (terugkaatsen)

Dit is een voorbeeld naar Van den Branden (2010).

Voorbeelden van een rijk taalaanbod

Minder rijk Rijker

a. Waar is de auto? Hier (wijst naar trui).

b. Pak deze maar.

c. Waar is het? Oh daar!

d. Doe maar! Nee, naar daar!

e. Kind: ‘Oei! Valt!’

a. Waar zie je een auto? Ja, hier, kijk, er staat een auto op je trui!

b. Pak deze stift maar.

c. Waar is het muisje? Oh daar, achter de boeken!

d. Draai maar aan de stop! Lukt het niet? Probeer eens om naar de andere kant te draaien.

e. Begeleider: ‘Oei, de verf is op de grond gevallen. Dat zal ik wel even opkuisen.’

 

Voorbeeld van een begrijpelijk taalaanbod

Anissa en de begeleider spelen aan de watertafel.

  • Begeleider: Giet dat bekertje eens vol, Anissa.
  • Anissa giet het maar half vol.
  • Begeleider: Is het vol nu?
  • Anissa kijkt vertwijfeld.
  • Begeleider: Bijna wel he. Vol is helemaal tot van boven. Giet maar!
  • Anissa giet er water bij, tot aan de rand van het bekertje.
  • Begeleider: Ja kijk, nu is het bekertje vol. Goed gedaan Anissa!