Verstandelijke ontwikkeling

De mentale ontwikkeling van je kind ontwikkelt zich voortdurend

Ook het denken van een kind ontwikkelt zich voortdurend. Het leert verbanden leggen, begrijpen en redeneren. Iedereen is in gedachten voortdurend bezig met de werkelijkheid. Ons denken staat nooit stilEen kind heeft zijn ouders en andere steunfiguren nodig om zich goed te kunnen ontwikkelen.

Ga snel naar

    Aandachtspunten om de verstandelijke ontwikkeling positief te beïnvloeden:

    • Creëer een veilige basis. Voelt een kind zich veilig bij zijn ouders, zal het het nodige zelfvertrouwen krijgen om de wereld rondom hem te gaan ontdekken.
    • Stimuleer het kind op verschillende manieren. Alleen al door bezig te zijn met het kind, door het vast te nemen, ertegen te praten, te spelen … zal het kind geboeid raken. Een goede manier om het kind nieuwe dingen aan te leren is door zijn aandacht te trekken. Bv. 'Kijk! Zie je dat? Dat is een vogel!' Door het kind nieuwe dingen te tonen, zal het zin krijgen om zelf op ontdekking te gaan. Moedig het kind aan wanneer iets nieuws lukt. Enthousiasme stimuleert het kind om de wereld te ontdekken.
    • Reageer consequent. Het kind test van alles uit en vindt het spannend om te zien hoe anderen zullen reageren.
    • Zeg duidelijk wat kan en wat niet kan. Door duidelijke grenzen te stellen, zal zijn besef van ‘goed’ en ‘kwaad’ toenemen.

    Ervaringen herinneren

    • Dagelijks hoort, ziet, voelt, ruikt en proeft een kind allerlei dingen. De zintuigen nemen verschillende ervaringen op. De hersenen zijn in staat om deze te onthouden en te herinneren.
    • Ondertussen ervaart het kind het effect van wat het doet: sabbelen op een fopspeen is aangenaam, op lachen volgt een lach van iemand anders. Het regelt de verbanden niet bewust, maar leert ze steeds beter kennen.
    • Een voorspelbare structuur kan het kind rust bieden: het weet wat het kan verwachten.

    Interesse in nieuwe dingen

    • Tussen 3 en 6 maanden leert een kind onderscheid te maken tussen wat het kent en wat nieuw is. Het maakt bijvoorbeeld een verschil tussen ‘oud’ en ‘nieuw’ speelgoed.
    • Het krijgt meer interesse voor nieuwe dingen. Toon bijvoorbeeld een aantal keren na elkaar een blauw balletje. Na een aantal keren verslapt de aandacht van de baby. Laat hem dan een ander speeltje of een balletje van een andere kleur zien en de baby zal opnieuw meer interesse tonen.

    Voorkeuren

    • Naarmate een baby meer ervaringen opdoet, laat hij zijn voorkeur blijken. Zijn oude vertrouwde knuffel waarmee hij gaat slapen, is belangrijker dan een andere knuffel. De oude knuffel geeft hem een veilig gevoel. Deze afweging gebeurt op basis van ervaringen.
    • Een onderscheid kunnen maken tussen nieuw en bekend is belangrijk bij het ontdekken van smaken, geluiden en zaken die een kind kan betasten. Het proeven, ruiken, horen en zien, zorgen voor een voortdurende prikkeling in de hersenen, waardoor hersencellen zich in de eerste drie jaren bliksemsnel verbinden.

    Abstracter denken

    •    Eerst kan een kind voorwerpen van eenzelfde kleur ordenen. 
    •    Later kan het kind het verband benoemen: een gele kleur heet ‘geel’.

    Beelden vasthouden in het geheugen

    • Een baby ontwikkelt tussen 6 en 12 maanden het vermogen om een beeld in zijn geheugen vast te houden, zonder het te zien. We noemen dit  ‘objectpermanentie’.
    • Als een balletje onder de kast rolt, zal een kind dat al objectpermanentie ontwikkeld heeft, ernaar op zoek gaan. Voor dit gebeurt, gaat een kind niet op zoek en begint het met iets anders te spelen. Als het iets niet ziet, is het er niet.
    • Bij een kindje tussen 6 en 12 maanden is het balletje uit zijn gezichtsveld, maar het ‘weet’ dat het niet weg is. Het heeft een voorstelling van het balletje in zijn geheugen.
    • Er is een manier om na te gaan of het kind beelden in het geheugen heeft zonder het voorwerp te zien. Leg een balletje, blokje of ander klein voorwerp onder een doek. Het kind mag zien dat iemand het er legt. Als het kind het voorwerp zoekt, beschikt het over objectpermanentie.
    • Op de leeftijd van 12 maanden zal het kind dat voorwerp zelfs zoeken zonder gezien te hebben waar het gelegd is.
    • Objectpermanentie houdt verband met scheidingsangst. Het kind heeft mama of papa in zijn hoofd. Als mama weggaat, weet het kindje heel bewust dat het mama mist.

    Verbanden leggen

    Tijdens het spelen, tijdens verzorgingsmomenten, … leert een kind voortdurend verbanden te leggen. Dat helpt om de wereld steeds beter te begrijpen. Enkele voorbeelden :

    • Rond 8 maanden laat een kind vanuit zijn stoel of van op het verzorgingskussen voorwerpen vallen. Het doet dat steeds opnieuw en kijkt wat er gebeurt. Zo leert het dat voorwerpen altijd ‘naar beneden’ vallen.
    • Een kind kan eindeloos op een knopje van een speeltje duwen en lachen als er geluid komt of het test hetzelfde uit op de lichtschakelaar. Het leert dat wat het doet effect heeft op iets anders.
    • Een kind leert stilaan wat mag en niet. Dat leert het omdat zijn ouders wel 100 keer hetzelfde zeggen: “Je mag niet aan de televisie komen.”
    • Een kind leert erop vertrouwen dat ouders terugkomen om het op te halen in de opvang. Tegelijk leert het op welk moment van de dag dat is bijvoorbeeld na het vieruurtje-  en is verbaasd als dat op een ander moment gebeurt.

    Problemen oplossen

    • Een kind komt tijdens het spel regelmatig moeilijkheden tegen, bijvoorbeeld: een stapel blokken die niet blijft staan of een blokje dat niet in de vormenstoof past. De kennis die het opgedaan heeft en de ervaringen die het heeft opgedaan, helpen om nieuwe situaties aan te pakken.
    • Als een kind niet groot genoeg is om aan een koekje op tafel te kunnen, bekijkt het de situatie en begrijpt het dat de tafel hoog is. Een stoel naast de tafel is belangrijk, evenals de ervaring dat het op een stoel kan kruipen en daardoor hoger komt. Plots krijgt het kind dus inzicht: een hoge stoel helpt me om de koek van tafel te pakken.
    • Een kind vindt uit zichzelf oplossingen, maar het leert ook door de oplossing van anderen te zien.

    Het verschil tussen goed en fout

    • Het besef van 'goed' en 'kwaad' start op 13 à 24 maanden. Dit besef houdt verband met alle andere ontwikkelingen in deze periode (zelfbesef, kunnen lopen, …). Een kind wordt zich in deze periode geleidelijk aan bewust van handelingen die goed- of afgekeurd worden.
    • Het onderscheiden van ‘goed’ en ‘fout’ heeft ook te maken met een gevoel dat het daaraan kan verbinden. ‘Fout’ of ‘slecht’ roept een gespannen gevoel op. Een volwassene reageert boos of streng als het kind iets fouts doet.
    • Sommige kinderen krijgen sneller een gespannen gevoel als ze iets fouts doen. Ze hebben een gevoelig zenuwstelsel dat sterk reageert. Andere kinderen met een minder sterk reagerend zenuwstelsel lijken het zich minder aan te trekken.
    • Tussen 18 en 24 maanden begint een peuter te beseffen dat wat hij doet, gevolgen heeft. Hij denkt na over oorzaak en gevolg. Als hij iets laat vallen, maakt dit een geluid. Als hij op het knopje naast de deur drukt, heeft dat een leuk ‘gevolg’. Deze ontdekkingen zijn zo fascinerend dat een kind dit eindeloos wil herhalen.
    • Uitzoeken wat er zal gebeuren wordt een bijna voltijdse dagbesteding. Een kind vindt het heel spannend om uit te zoeken wat er gebeurt als een volwassene zegt dat iets niet mag. Het zoekt ook uit hoe ze zullen reageren op zijn gedrag.