Zindelijkheid

Veelgestelde vragen en antwoorden over zindelijkheid.

  • Elk kind wordt zindelijk op zijn eigen tempo. Je kan het proces niet versnellen, maar wel positief stimuleren.

    Naar de kleuterschool

    Is een kind nog niet zindelijk als het naar school gaat, bespreek dit dan met de kleuterleid(st)er. Een kind mag hiervoor niet geweigerd worden. Je kan samen bekijken hoe en wanneer je met de zindelijkheidstraining start. Zindelijkheid hoort bij het opgroeien en is niet iets waarover je je moet schamen. 

    Scholen kunnen wettelijk geen kinderen weigeren omdat ze niet zindelijk zijn. Als ze dat toch doen en een gesprek hierover weigeren, kan de ouder een klacht indienen bij het departement onderwijs.

    Naar de buitenschoolse opvang

    Zindelijk worden is niet voor elk kind even gemakkelijk. De opvang mag kinderen niet discrimineren op basis van hun gezondheid of fysieke toestand. Daarom mogen kinderen niet systematisch geweigerd worden als ze niet zindelijk zijn, ook niet via het huishoudelijk reglement.

    Aanbevelingen voor de opvang: 

    • Stippel een beleid uit voor het opvolgen van het zindelijkheidsproces. 

    • Maak dat beleid kenbaar aan de ouders. Het beleid kan opgenomen worden in het huishoudelijk reglement. 

    • Zorg voor een goede afstemming met de ouders, bv. op hetzelfde moment en op dezelfde manier beginnen met de zindelijkheidstraining. 

    • Als buitenschoolse opvang kan het nuttig zijn om daarover te overleggen met de scholen.

  • Je kan het potje aanbieden op dagelijks terugkerende momenten, zoals:

    • na het opstaan
    • na het eten (ontbijt, middagmaal, vieruurtje en avondmaal)
    • voor het slapen gaan
    • en als je kind er zelf om vraagt

    Door de voorspelbaarheid zal je peuter gemakkelijker meewerken. 

    Je kan het potje ook aanbieden als je merkt dat het kind pipi of kaka moet doen of er zelf om vraagt.

    Praktisch:

    • 2 à 5 minuten op het potje is voldoende.
    • Wacht na een plasje 1,5 uur à 2 om het potje terug aan te bieden. Als de luier nog droog is, heb je meer kans dat het kindje nog moet plassen.
    • Een ontspannen zithouding is nodig om op een goede manier te kunnen plassen. Laat een kind met de benen licht gespreid zitten, het slipje tot op de enkels. 
    • Doe het kind gemakkelijke kledij aan.
    • Een boekje erbij, wat vertellen … kan zorgen voor een ontspannen sfeer.
    • Het voorbeeld van anderen kan motiverend werken.
    • Reageert het kind angstig of verzet het zich heftig, wacht dan een aantal weken en start dan opnieuw.

    Enkele tips:

    • Op de vraag  ‘Kom je op het potje?’ zal een peuter in zijn nee-fase wellicht ‘nee’ antwoorden. Geef daarom liever een duidelijke instructie, zoals ‘Kom, we gaan op het potje!’.
    • Als je tussendoor af en toe aan het kindje vraagt of hij moet plassen, help je hem aandacht te schenken aan het gevoel van druk. 
    • Moedig elk stapje in de goede richting aan. Doe ‘Bravo!’ doen of zing een liedje na even op het potje zitten.
    • Straffen of boos worden helpt niet. Integendeel, het kan druk en spanning zetten op de peuter waardoor het zindelijk worden, bemoeilijkt wordt.
    • Overleg over de aanpak met alle betrokkenen: ouders, opvang, grootouders, kleuterschool, … Je kunt hiervoor het Plaspoort gebruiken. 

    Wanneer deze stap? 

    Als je kindje het aangeeft (je merkt enkele duidelijke rijpheidssignalen) of vanaf 2 jaar. 

    Lees meer over zindelijkheid

  • Maak je niet onmiddellijk zorgen als je baby een paar dagen overslaat met zijn of haar ontlasting. Het stoelgangpatroon is immers sterk verschillend bij baby's en wordt beïnvloed door de voeding (en voeding van de mama bij borstvoeding). Een verandering van stoelgangspatroon kan ontstaan als er veranderingen in de voeding worden aangebracht: veranderen van kunstvoeding, voeding van de mama bij borstvoeding of het introduceren van nieuwe groenten of fruit in de vaste voeding.

    Raadpleeg een arts als de stoelgang erg vast is van structuur, als je kind erg huilt en pijn vertoont of als er klachten optreden zoals braken, koorts, slechte gewichtsevolutie of voedselweigering.

    Voeg géén suiker, meel, olie of wat dan ook toe aan de melkvoeding en experimenteer niet zelf met medicatie, glycerinesuppo's of andere laxeermiddelen.

    Bekijk ook de info op de pagina constipatie