Slapen

Veelgestelde vragen en antwoorden over slapen.

  • Als je kindje zich vlot kan draaien, hoef je hem of haar niet telkens op de rug te slapen leggen als hij of zij zich op de buik gedraaid heeft. Je kind is dan sterk genoeg om te reageren als zijn of haar gezicht in het matras terecht komt. Leg je kind wel op de rug om in te slapen.

    Lees meer over veilig slapen

  • De ideale temperatuur van de slaapomgeving voor een baby is 18°C. Deze temperatuur is niet altijd haalbaar bij extreem warme dagen. Het is belangrijk om kledij en beddengoed aan te passen aan de temperatuur van de kamer. Doe je baby enkel een hemdje of lichte T-shirt aan en legt hem of haar te slapen in een dun slaapzakje, extra toedekken met laken of deken is niet nodig. Hou ook extra toezicht.

    Je kan eventueel een airco in de slaapkamer plaatsen. Volg daarbij de handleiding van het toestel en ververs het water regelmatig als het over een airco met waterkoeling gaat. Let er ook op dat je de airco niet te koud instelt, hierdoor krijg je een koude luchtstroom waardoor je baby serieus afkoelt. Stel de airco slechts een aantal graden minder in dan de buitentemperatuur.

  • Knuffels kunnen het hoofd bedekken, waardoor een baby te warm kan krijgen.

    • Leer een baby onder de 6 maanden niet aan om met een knuffel te slapen. Onderzoek toont aan dat knuffels voor deze baby's nog geen emotionele rol vervullen.
    • Vanaf de leeftijd van 6 maanden kan een knuffel of doekje een geborgen gevoel geven. Een kind dat wakker is kan met zijn knuffel spelen of er troost bij zoeken.
    • Heeft je kind zijn of haar knuffel nodig om in slaap te raken, neem hem dan weg zodra je kind slaapt. Zet de knuffel op een plekje waar je kind hem kan zien.

    In de opvang

    Het advies hierboven geldt ook voor de kinderopvang, maar omdat dit advies niet letterlijk in de regelgeving is opgenomen, kan Kind en Gezin het niet afdwingen. De kinderopvang kan zelf beslissen om er van af te wijken en nagaan of de veiligheid op een andere manier kan gewaarborgd worden. Zo kan je bijvoorbeeld beslissen om een tijdje het toezicht te verhogen (bv. bij het zoeken naar een oplossing rond een knuffel).

    Voor de opvang is het echter niet eenvoudig om zomaar af te wijken van aanbevelingen: als er iets met een kind gebeurt, kan de opvang door een rechter aansprakelijk worden gesteld.

    Bovendien zijn de aanbevelingen van Kind en Gezin op wetenschappelijk onderzoek gebaseerd en hebben ze hun succes in de praktijk bewezen: sinds ouders en kinderopvangvoorzieningen ze toepassen, zijn het aantal sterfgevallen omwille van wiegendood sterk gedaald.

    Lees meer over veilig slapen

  • De eerste jaren verandert er veel in de hoeveelheid slaap die kinderen nodig hebben en of ze al dan niet nog een dutje in de dag kunnen gebruiken. Natuurlijk zijn kinderen heel verschillend. Er zijn er die veel en weinig slaap nodig hebben, er zijn er die lang wakker blijven of heel vroeg uit bed willen. Dikwijls herkennen ouders iets van zichzelf in het slaappatroon van hun kind.

    • Pasgeborenen slapen het grootste deel van de dag. Slaap- en waakperiodes zijn nogal gelijk verdeeld over 24 uur.
    • Baby’s van een zestal weken kunnen soms al 6 uur aan één stuk doorslapen. Geleidelijk aan worden baby’s nog maar 2 tot 3 keer wakker voor voeding.
    • Meer dan de helft van de kinderen van 6 maanden slaapt ’s nachts 6 à 8 uur aan één stuk.
    • Kinderen tussen 1 en 3 jaar slapen ’s nachts gemiddeld 10 tot 12 uur. Het middagdutje neemt af van 2 tot 3 uur naar 1 tot 2 uur.
    • Daarna slapen kinderen tot 6 jaar ongeveer 10 tot 12 uur per nacht, zonder middagdutje.

    Natuurlijk zijn kinderen heel verschillend.

    Doorslapen?

    Het slaappatroon is opgebouwd uit verschillende slaapfases die in elkaar overgaan. Dat is bij kinderen en bij volwassen zo. Baby's maken bijvoorbeeld om de 30 à 45 minuten een overgang naar lichte slaap en kunnen daarbij wakker worden en onrustig zijn, (de ogen openen, zachtjes wenen ...). Nadien vallen ze terug in slaap. Een kind zal zich eens omdraaien, wat harder op zijn fopspeen zuigen of eens kreunen, om dan weer verder te slapen. Sommige kinderen hebben het moeilijk om - als ze wakker worden - weer zelf in slaap te vallen. Dan huilen ze, roepen ze hun ouders ... Doorslapen is dus het weer zelfstandig kunnen inslapen. Een kind dat leert om zelf in slaap te vallen, zal het daarom tijdens de nacht makkelijker hebben.

    Hoewel het niet mogelijk is om een baby te doen slapen, kunnen ouders al vanaf de eerste dag dingen doen die het voor de baby makkelijker kunnen maken om in te slapen en een goed slaappatroon te ontwikkelen.  Maar besef dat het slaapgedrag van een volwassene veel verschilt van het slaapgedrag van een baby. Het zelfstandig in- en doorslapen is een ontwikkelingsopgave voor het kind. Dat betekent dat kinderen tijd nodig hebben om ook te leren om zelfstandig in te slapen en om ’s nachts zelfstandig terug door te slapen. Gemiddeld kan je dat pas vanaf 6 maanden verwachten maar er is een grote variatie. Het is dus niet abnormaal als je kindje nog niet doorslaapt.  

    In de eerste twee jaar is het dus vrij normaal dat kinderen niet altijd even 'goed' zelfstandig kunnen in -en doorslapen. Bijna alle kinderen slapen wel eens moeilijk, maar meestal gaat dat vanzelf over. 

  • Een baby op zijn of haar rug laten slapen past binnen de adviezen voor wiegendoodpreventie. Wiegendood is het plots en onverwacht overlijden van een kind dat gezond leek en bij wie geen lichamelijke afwijking kon worden vastgesteld die het overlijden verklaart.

    Als baby’s op hun buik slapen, raken ze snel oververhit, hun ademhaling stokt vaker en ze ademen meer uitgeademde lucht in die minder zuurstof bevat. Allemaal dingen die je vermijdt door baby’s op hun rug te laten slapen.

    In 1994 stierven in Vlaanderen nog zo’n 104 kindjes aan wiegendood. Toen werd de rugligging ingevoerd en zakte het cijfer spectaculair, tot zo'n 15 overlijdens per jaar vandaag. 

    Draait je kind zich telkens op de buik? Als je kind zich vlot kan draaien, hoef je hem of haar niet telkens op de rug te slapen leggen als hij of zij zich op de buik gedraaid heeft. Je kind is dan sterk genoeg om te reageren als zijn of haar gezicht in het matras terecht komt. Leg je kind wel op zijn of haar rug om in te slapen.

    1. Te veel drukte
      De ene baby is gevoeliger voor geluid- en lichtprikkels dan de andere. Bekijk of je het bedje beter in een rustig hoekje van de woonkamer zet, afgeschermd van het licht en de drukte in de woonkamer. Kijk hoe je baby reageert: wanneer valt hij of zij makkelijk in slaap en wanneer niet? Kleine aanpassingen maken vaak een groot verschil. Leg het bed niet vol knuffels (of speelgoed). Dit is niet veilig en het geeft te veel prikkels aan een baby die in slaap wil vallen.
    2. Te weinig voorspelbaarheid
      Het is niet nodig een heel slaapritueel te volgen voor elk dutje. Wat wel belangrijk is, is voorspelbaarheid. Een vast dagritme zorgt ervoor dat je baby weet wat er komt: slapen, eten, samen spelen, alleen spelen en opnieuw slapen… Het brengt rust en neemt stress weg. Je baby zal rustiger slapen. Niet elke dag hoeft precies hetzelfde te verlopen, maar elke dag een totaal ander ritme is erg stressvol voor je baby.
    3. Te moe
      Een baby die moe is en niet rustig in bed wordt gelegd, wordt opnieuw klaarwakker. Als je baby daarna weer moe wordt, is hij of zij vaak te moe om zelf in slaap te vallen én een vermoeide baby wordt ook vaak snel weer wakker. Leg je baby dus meteen in bed als je ziet dat hij of zij moe wordt.
    4. Honger
      Soms kan het eenvoudig zijn. Niet elk voedingsmoment verloopt perfect volgens de klok. Misschien heeft je baby vandaag wat sneller honger? Volg het ritme van je baby, zo zorg je ervoor dat je baby zijn of haar verzadigingsgevoel leert vertrouwen.
    5. Iets anders
      Een te warme of koude kamer, pijn, een ongemakkelijke ligging, tandjes die doorkomen… Het is niet altijd makkelijk om te ontdekken waarom je baby moeilijk in slaap valt. Neem de tijd om je baby en zijn of haar signalen te leren kennen.

    Lees meer over slapen

  • Doorslapen betekent dat je baby 6 uur aan een stuk slaapt, niet ‘de klok rond’.

    Tot ongeveer 6 maanden worden sommige baby’s nog wakker voor een nachtvoeding, omdat hun hersenen in groei die voedingstoffen nog nodig hebben. Dat is normaal.

    Of je baby doorslaapt, heeft verder vooral te maken met het opbouwen van een goed slaappatroon. Baby's maken om de 30 à 45 minuten een overgang naar lichte slaap. Ze worden dan een beetje wakker, wriemelen even, kreunen en slapen weer verder. Je baby slaapt door als hij of zij bij zo’n overgang zonder jouw hulp opnieuw kan inslapen.

  • Het best leg je je baby wakker in bed als je baby het signaal geeft dat hij of zij moe is. Je baby leert zo zijn of haar bed als vaste slaapplaats te herkennen en zelfstandig in slaap te vallen. Je geeft je baby de kans om iets heel belangrijks te leren.

    Weent je baby als je hem of haar in bed legt? Laat je baby voelen dat je er bent, zonder je baby uit bed op te pakken of in slaap te wiegen. Als je jouw baby altijd op je schoot of in je armen in slaap laat vallen, dan wordt je baby dit gewend. En dan moet je baby altijd geholpen worden om in te slapen, ook als je baby ’s nachts even wakker wordt.

    Lees meer over slapen

  • Niet alle baby’s hebben evenveel slaap nodig. De gemiddelde slaaptijden zijn richtlijnen, dus geen zorgen als je kind meer of minder dan het gemiddelde slaapt. De boodschap is: leer je kind en zijn of haar signalen kennen. Wat doet je baby als hij of zij moe is? Geeuwen, wegkijken, onrustig worden, friemelen aan de oren, in de ogen wrijven? Dan is het tijd om te slapen.

    Lees meer over slapen

  • Een baby die steeds in slaap valt aan de borst, is erg lastig voor de mama. 

    In de eerste weken zou je baby minstens 8 tot 12 voedingen per 24 uur moeten hebben om een goede melkproductie op gang te brengen. Tijdens de borstvoeding zou je baby minstens 10 à 20 minuten actief moeten drinken. Meestal hoort je als mama de baby ook ook slikken. 

    Als je baby minder frequent borstvoeding vraagt of tijdens de borstvoeding te passief is, zal je baby minder melk binnen krijgen dan hij of zij nodig heeft. Je baby zal dan minder plassen en stoelgang maken en zijn of haar groei zal vertragen. Een ander gevolg is dat de melkproductie onvoldoende gestimuleerd wordt of dat de borst onvoldoende leeggedronken wordt, wat op een verstopt melkkanaaltje of een borstontsteking kan veroorzaken.

    Het is dus zowel voor de baby als voor de mama belangrijk dat de slaperige baby goed gewekt wordt voor een voeding.

    Mogelijke oorzaken

    • een langdurige bevalling of bepaalde medicijnen die de mama tijdens de bevalling gekregen heeft
    • lichamelijke problemen bij je baby zoals geelzucht of een infectie

    Tips

    • Als je baby moeilijk te wekken is of als je denkt dat hij of zij te weinig voeding krijgt, raadpleeg dan je verpleegkundige, vroedvrouw of lactatiekundige. Mogelijk is ook een controle door een arts nodig om uit te sluiten dat er een medisch probleem aan de oorzaak van de slaperigheid ligt.
    • Extra aandacht is nodig bij een baby met geelzucht. Een baby met een hoge bilirubineconcentratie in het bloed is vaak suf. Hij of zij lijkt tevreden, maar is te slaperig om voldoende te eten. Herken je dit, neem dan zo snel mogelijk contact op met je arts.

    Voor de borstvoeding

    • Houd je baby rechtop en praat tegen hem of haar.
    • De handjes en de voetjes masseren en over zijn of haar rug wrijven maakt je baby alert. 
    • Door kleedjes uit te doen en de luier te wisselen, wek je je baby. 
    • Je kan zijn of haar voorhoofd en gezichtje met een koele vochtige doek deppen. 
    • Masseer enkele druppels moedermelk uit je tepels.

    Tijdens de borstvoeding

    • Een voldoende alerte baby zal zijn of haar mondje ver open doen tijdens het aanhappen.
    • Maak huidcontact bij het aanleggen.
    • Probeer een zittende houding aan (bv. rugbyhouding)
    • Wissel vaker van borst tijdens 1 borstvoeding.
    • Borstcompressie zorgt ervoor dat de melk sneller zal stromen waardoor je baby minder snel terug in slaap zal vallen. Omvat daarom, op het moment dat je baby zuigt, je borst stevig en zo dicht mogelijk bij de ribbenkast. Je mag gerust wat druk uitoefenen, zolang het maar geen pijn doet. Wanneer je baby stopt met zuigen, laat je de druk weg. Je kan je hand nu eventueel een beetje verplaatsen en zodra je baby weer zuigt, de druk verhogen op een andere plaats, maar steeds dichtbij de borstkas en dus achter de gevulde melkklieren.