Angsten

Angst is een overlevingsmechanisme tegen bedreigende situaties. Het helpt het lichaam om te ontsnappen aan die dreiging. Daarom is angst zinvol. Zowel volwassenen als kinderen zijn wel eens bang. De meest uiteenlopende dingen kunnen een kind doen schrikken: een vreemd gezicht, een hard geluid, een bezoek bij de dokter …

Ga snel naar

    Veelvoorkomende angsten bij kinderen

    Bij een kind hangen angsten samen met de verstandelijke ontwikkeling: hoe meer een kind de wereld ziet, beleeft, en toch nog niet helemaal begrijpt, des te meer dingen er bij komen waar hij of zij bang voor kan worden.

    Angsten hangen ook samen met ervaringen. Wanneer je bijvoorbeeld ooit werd gebeten door een hond, kan je angst krijgen voor alle honden.

    In elke ontwikkelingsfase komen specifieke angsten voor: 

    • 0 - 2 jaar: vallen, harde geluiden, plots opduikende grote voorwerpen, onbekende omgeving, onbekende dingen, vreemden, scheiding van de ouder, water, toilet 
    • 2 - 4 jaar: water, toilet, scheiding van de ouder, geluiden (stofzuiger, vliegtuig ...), donker, griezels en 'enge' beesten, dieren, natuurgeweld (onweer), verandering van omgeving, angsten door denken op peutermanier, angsten door beschadiging van eigen lichaam, bang voor de dokter, kapper of tandarts ... 

    Deze angsten zijn normaal.

    Angsten kunnen opkomen, verdwijnen en na een tijdje terugkeren. Zo kan je kind van 2 jaar bang zijn voor het donker, een beetje later niet meer, en dan rond de leeftijd van 4 jaar opnieuw. Sommige angsten komen ook in een andere vorm terug.

    Angst door een ingrijpende gebeurtenis

    Iets wat voor een volwassene niet zo ingrijpend is, kan bij een kind toch angst oproepen. Je peuter kan bijvoorbeeld angstig worden wanneer je met de trein ergens naartoe gaat.

    Ook meer ingrijpende gebeurtenissen kunnen je kind angstig maken: een plotse verandering van omgeving, de geboorte van een broertje of zusje, een echtscheiding …. Vaak zien ze zichzelf als oorzaak van die gebeurtenis.

    Kleine kinderen vragen zich af of zij dit niet hadden kunnen voorkomen: ‘Als ik maar wat flinker was geweest, dan was papa niet weggegaan.’ Bij de komst van een nieuw broertje of zusje vragen ze zich vaak af of hun ouders hen nu ook nog graag zullen zien.

    Angst voor bad en douche

    Je kind kan van de ene dag op de andere bang zijn om in bad te gaan, bijvoorbeeld omdat hij of zij bang is om in de afvoer te verdwijnen.

    Angst voor dieren

    Kinderen tussen 2 en 4 jaar zijn vaak bang voor dieren. Deze angst begint soms door een nare ervaring met een dier, je kind is bijvoorbeeld erg geschrokken van een blaffende hond of gestoken door een wesp. Je kind kan dan plots bang worden voor alle honden.

    Je peuter kan ook, los van nare ervaringen, angst hebben voor een bepaald dier of voor dieren in het algemeen.

    Angst voor harde geluiden

    Kort na de geboorte tonen baby’s schrikreacties bij harde geluiden. Ze zijn ook bang om te vallen. Wanneer er plots een groot voorwerp in de buurt verschijnt, bijvoorbeeld een gezicht dat plots boven de wieg verschijnt, schrikken ze.

    Ook kinderen tussen 2 en 4 jaar kunnen nog angst hebben voor sterke geluiden, zoals bijvoorbeeld een stofzuiger of een straaljager.

    Angst voor het donker, monsters en spoken

    Kinderen tussen 2 en 4 jaar hebben een rijke fantasie. In het duister verandert alles plots in iets angstaanjagends. Ze zijn er vaak van overtuigd dat gordijnen veranderen in spoken of dat er een monster onder hun bed zit.

    Kinderen zijn op die leeftijd ook verzot op sprookjes en verhaaltjes. Ze mengen fantasie en werkelijkheid vaak met elkaar. Ze kunnen die twee immers moeilijk uit elkaar houden. Deze fantasieën kunnen je kind erg bang maken. Het is belangrijk dat je deze fantasieën een plaats geeft en je kind terugbrengt tot de realiteit.

    Angst voor pijn

    Baby’s laten angstreacties zien als ze pijn hebben. Hun hartslag zal dan versnellen. Tot de leeftijd van 4 jaar nemen angstreacties door of voor pijn af, daarna kunnen ze weer toenemen.

    Angst voor onweer, storm en regen

    Veel jonge kinderen zijn bang voor onweer, omdat ze nog geen onderscheid kunnen maken tussen fantasie en werkelijkheid. Het helpt daarom ook niet om te zeggen dat het onzin is om bang te zijn.

    Angst voor vreemden

    Rond 6 à 8 maanden leert je kind onderscheid te maken tussen vertrouwde mensen en vreemden.

    Rond die leeftijd reageren veel baby’s heftig op veranderingen in de omgeving, ook op de aanwezigheid van vreemden. Elk gezicht dat de baby niet bekend is, kan hem of haar afschrikken. Je kind wordt zich bewust van het onderscheid tussen zichzelf en de ander. Dit is een heel belangrijke fase in de ontwikkeling.

    Baby’s zoeken dan steun bij vertrouwde personen. Je baby kan met zijn of haar gezicht diep in je nek wegkruipen, draait zich weg van vreemden of begint te wenen. De aanwezigheid van een ouder geeft je kind een gevoel van veiligheid, geborgenheid en bescherming.

    Scheidingsangst

    Rond 8 maanden begint je kind voor het eerst verdrietig te reageren als vertrouwde mensen uit zijn of haar omgeving weggaan. Dit wordt ‘scheidingsangst’ genoemd. Deze angst is meestal het hevigst tussen 8 en 18 maanden. Je kind ziet jou vertrekken, maar weet nog niet of en wanneer je terugkomt. Je kind voelt zich veilig bij jou en plots valt die veiligheid weg. Dat kan soms hevige reacties teweegbrengen: je kind begint te huilen, wil niet meer naar de opvang, wil niet meer alleen gaan slapen, begint ’s nachts terug meer te huilen …

    Scheidingsangst komt bij ieder kind voor, maar het ene kind reageert angstiger dan het andere. Deze angst is een voorbijgaande fase in de ontwikkeling. Scheidingsangst zal niet plots weg zijn en kan blijven tot de leeftijd van 3 jaar.

    • Bij kinderen jonger dan 2,5 jaar duurt de gewenningsperiode bij ‘vreemde’ personen langer.
    • Vanaf 2,5 jaar voelen kinderen zich over het algemeen behoorlijk veilig in aanwezigheid van ‘vreemde’ personen.
    • Rond 4 jaar kan je kind steeds beter tegen een korte scheiding van zijn of haar ouders. De omgeving wordt vertrouwder, je kind is zelfredzamer geworden en hij of zij kan al beter praten.

    Angst voor terreur

    Kinderen voelen zich veilig in een gezin waar geborgenheid en eerlijkheid samenkomen. De eerlijkheid om te benoemen wat er gebeurt en welke gevoelens dit oproept. De geborgenheid dat ouders er voor hen zijn. Dit betekent niet dat ouders altijd alles hoeven te weten of zelf niet bang kunnen zijn, maar wel dat dit besproken kan worden.

    Moffel nare gebeurtenissen dus niet weg, maar maak tijd om met je kinderen te praten. Wees zo eerlijk mogelijk. Doe dit op maat van je kind. Heeft je kind (grote) interesse in wereld rondom hem? Is je kind snel of niet snel angstig? Jij kent je kind en weet vaak intuïtief wat je kind nodig heeft om hiermee om te gaan.

    Oudere kinderen leven niet in een cocon en hebben via nieuws, sociale media, vrienden … al informatie opgedaan en zich daarover een mening gevormd. Bevraag wat ze ervan weten en hoe ze erover denken en zich erbij voelen. Sommige kinderen zullen zelf vragen stellen over wat er aan de hand is. Belangrijk is om het in hun hoofd niet te laten uitgroeien tot angstige gebeurtenissen, maar door een gesprek te ‘normaliseren’.

    Hoe omgaan met angsten?

    Er bestaat geen wondermiddel om angst in een handomdraai weg te nemen. Een ouder of opvoeder kan het beste inschatten welke tips bruikbaar zijn of gecombineerd kunnen worden. Focus niet te veel op een angst, want dat zal de angst van een kind alleen vergroten.

    Neem de angst van je kind ernstig

    Het is belangrijk om de angst van je kind ernstig te nemen en niet weg te lachen. Kinderen moeten voelen dat ze bang mogen zijn. Uitspraken als ‘Stel je niet aan!’ helpen een kind niet om met zijn angst te leren omgaan. Het gevoel van veiligheid dat je kind kwijt is, moet opnieuw worden opgebouwd. Als je je kind even oppakten troost, geef je aan dat je zijn angst serieus neemt.

    Een kind heeft nood aan troost en geruststelling. Een opmerking als ‘Iedereen is wel eens bang’ kan helpen.

    Praat over de angst met je kind

    Over angsten praten is een eerste stap. Door naar het verhaal van je kind te luisteren, krijg je een beter zicht op de angst. Waarom is je kind bang? Wat voelt hij of zij precies?

    Kleine kinderen hebben vaak de hulp van hun ouders nodig om hun angsten te verwoorden. Ook in hun spel of tekeningen kunnen kinderen hun angsten uiten. Dat kan een aanknopingspunt vormen om erover te praten.

    Praten over angsten doe je best overdag. ’s Avonds of ’s nachts kan dat leiden tot nieuwe angstige gedachten.

    Help je kind de angst overwinnen in kleine stapjes

    Bied je kind geleidelijk ervaringen aan waardoor zijn of haar angst zal afnemen. Deel dit op in kleine stapjes. Prijs elke stap in de goede richting, zo krijgt je kind vertrouwen.

    Als je kind bijvoorbeeld bang is voor dieren, lees dan eerst samen boekjes over dieren, ga daarna eens naar een kinderboerderij om dieren te bekijken en bij het volgende bezoek wil je kind het dier misschien al eens aaien.

    Is je kind bang ’s nachts in de kamer? Praat er overdag over en ga samen de kamer bekijken. Doe het licht aan en uit en toon dat de kamer er ’s nachts anders uitziet.

    Onweer, storm en hevige wind kunnen angst aanjagen:

    • Luister op voorhand eens naar donder- en onweersgeluiden.
    • Maak samen wind door met je armen te zwaaien of hard te blazen.
    • Zet een ventilator op verschillende standen en sluip, huppel of ren door de wind.
    • Kijk samen naar de wind of loop een stukje hand in hand, om het kind te laten ervaren dat er niets gebeurt.
    • Zet tijdens een onweer muziek op om je kind af te leiden.
    • Kijk samen naar buiten en maak bij elke donderslag een gek geluid. Zo koppel je een positief gevoel aan de donderslag.
    Blijft je kind bang?

    Ga de situatie niet vermijden, want dan wordt de angstdrempel nog hoger. Laat je kind bijvoorbeeld tellen hoeveel tellen hij of zij bang durft te zijn (bijvoorbeeld: ‘Twee tellen, heel goed! Jij kan twee tellen bang zijn!’).

    Bied je kind hulp

    Als je merkt dat je kind angstig is, kan je helpen zoeken wat dit gevoel zou kunnen wegnemen: Wat kan jij doen als ouder? Wat kan je kind doen? Een knuffel geven en troosten kan deugd doen. Je kind weet dan dat hij of zij altijd op jou kan rekenen en dat vergroot het veiligheidsgevoel.

    • Een nachtlichtje kan helpen als je kind bang is in het donker.
    • Blijf nog even in de buurt rommelen als je kind bang is alleen op de kamer.

    Geef je kind informatie

    Geef informatie aan je kind. Dit neemt onzekerheid weg en helpt om angst te overwinnen.

    • Heeft je kind last van scheidingsangst? Vertel voordat je weggaat waar je naartoe gaat en wanneer je terugkomt.
    • Laat je kind observeren en geef uitleg. Bijvoorbeeld: als je kind bang is om een poes te aaien, aai de poes dan zelf en zeg hoe fijn de poes het vindt.
    • Lees een kinderboek of sprookje over bijvoorbeeld ‘bang zijn in het donker’.
    • Speel de situatie die angst inboezemt na, als houvast voor je kind. Speel bijvoorbeeld samen doktertje voor je naar op doktersbezoek moet. 
    Wist je dat?

    Beelden kunnen hard binnenkomen (bijvoorbeeld: geweld, terreur). Kinderen onder 8 jaar kunnen beelden onvoldoende inschatten. Probeer kleine kinderen dus zo weinig mogelijk bloot te stellen aan beelden. Kan je dit toch niet vermijden, probeer dan samen te kijken en genoeg duiding te geven.

    Leer je kind dat angst voorbijgaat

    Leer je kind om zelf oplossingen te vinden voor zijn of haar angsten, bijvoorbeeld zelf een licht aan steken in een donkere kamer.

    Als je weet hoe je kind in een bepaalde situatie zijn of haar angst onder controle weet te houden, kan je dit hulpmiddel misschien ook in een andere situatie gebruiken, bijvoorbeeld troost zoeken bij een vertrouwde knuffel.

    Help je kind over scheidingsangst heen

    Ga thuis eens rommelen, zingen … in de een ruimte in de buurt van de ruimte waar je baby is. Zo merkt je baby dat er toch nog iemand in de buurt is.

    Speel kiekeboespelletjes. Zo leert je baby dat als hij of zij iemand even niet ziet, die persoon er toch nog is én ook weer terugkomt.

    In de opvang of bij de oppas

    Het is belangrijk dat je niet toegeeft aan de scheidingsangst van je kind en dat je hem of haar nog met een gerust hart kunt achterlaten bij de opvangbegeleider. Meestal houdt je kind na korte tijd vanzelf op met huilen.

    • Neem duidelijk afscheid van je kind. Vertel waar je naartoe gaat en wanneer je terugkomt.
    • Blijf niet treuzelen bij het afscheid, maar wees kordaat. Dat maakt het afscheid draaglijker. Je kind heeft jouw vertrouwen nodig om met het afscheid om te kunnen gaan.
    • Een knuffel van jou en eventueel een knuffeltje van je kind kan helpen als troost.

    Tip: Je kan bij de oppas elke keer iets langer wegblijven. Zo leert je kind stapsgewijs om gescheiden te zijn. Lees meer over wennen in de opvang

    Wat als de angst te groot wordt?

    Als de angst van je kind te groot wordt of lang blijft aanslepen, kan je je zorgen maken. Op welk moment angst een echt probleem wordt, hangt af van veel factoren. Als je kind niet meer normaal kan functioneren door zijn of haar angst of als jij de angst als een probleem ervaart, dan is die angst ook een probleem. Neem dan contact op met de behandelend arts of verpleegkundige van Kind en Gezin.

    Twijfels of vragen? Wij staan voor je klaar!

    Een verpleegkundige van Kind en Gezin staat je graag bij met advies op maat. Contacteer de Kind en Gezin-Lijn of maak een afspraak voor het spreekuur opvoedingsondersteuning. Tijdens een of meerdere gesprekken zoekt een verpleegkundige samen met jou een antwoord op je opvoedingsvragen.