Taalontwikkeling tussen 0 en 3 jaar

Leren praten is een wonder! Je baby maakt onbewust zijn eerste babygeluidjes2,5 jaar later praat je peuter de hele dag door en begrijpt hij heel veel.

Ga snel naar

    Elk kind zijn ritme

    Tijdens de eerste levensjaren ontwikkelt een kind zich ongelooflijk snel. Ook op vlak van taal. Maar: kinderen kunnen erg verschillen in de snelheid waarmee ze ontwikkelen.  Elk kind is anders. De ontwikkeling verloopt ook grillig. Plots kan een kind iets nieuws, of soms volgt een periode waar een kind een tijdje niets bijleert. 

    Je kind kan bijvoorbeeld: 

    • lang wachten met het eerste woordje om dan op korte tijd heel veel woorden te leren 
    • heel snel tweewoordzinnen beginnen gebruiken 
    • woorden niet onmiddellijk correct uitspreken 
    • … 

    Die variatie tussen kinderen is normaal. Vergelijk kinderen niet te snel met elkaar. Maak je je toch ongerust, bespreek dit dan met Kind en Gezin of met je arts. 

    De taalontwikkeling loopt verschillend bij elk kind. Maar elk kind doorloopt grotendeels dezelfde fasen. Omdat taalontwikkeling zo grillig en gevarieerd verloopt, werken we met vier grote leeftijdsfasen.

    ontwikkeling taal tussen 0 en 3 jaar

    Voor de geboorte

    Een goede start voor je kind begint al van voor de geboorte. Hier ligt het prille begin van de taalontwikkeling. Als je je kind meertalig wil opvoeden, is dit het ideale moment om al na te denken hierover.

    Vanaf week 21 van de zwangerschap, kan je baby horen en vangt hij of zij geluiden op: 

    • geluiden van in de buik, zoals de hartslag van mama 
    • geluiden van buiten de buik, zoals stemmen 

    Je baby leert stemmen die hij of zij vaak hoort, zoals de stem van mama, papa, moeke, broer of zus, kennen en herkent die zelfs na de geboorte.

    Baby (0-15 maand)

    Hoe communiceert een baby?

    Baby’s communiceren met hun hele lichaam. Ze gebruiken hun gezicht, armen, benen, ademhaling en stem om zich uit te drukken. Ze trekken soms een pruillip, huilen, maken geluiden, gapen of glimlachen. In het begin is het zoeken naar wat je baby hiermee wil zeggen. Het vraagt tijd om elkaar te leren kennen.

    Contact maken met je baby

    Oogcontact en glimlachen zijn belangrijk om contact te maken met je baby. Je baby vindt het leuk als je naar hem of haar kijkt. 

    Aanraken is ook een manier om contact te maken. Je baby vindt het fijn om dicht tegen iemand aan te liggen. Op die manier voelt hij of zij hoe je tegen hem of haar praat, voelt hij of zij je ademhaling en het bewegen van borst en buik. Je baby herkent ook je geur. 

    Je baby reageert als je hem of haar aanspreekt. Hij of zij zal je mondbewegingen imiteren.

    Wist je dat?

    De ideale afstand om tegen je baby te spreken, is 20 centimeter. Dit is ongeveer de afstand tussen het hoofd en je gezicht als je baby op je arm ligt bij de voeding of tijdens de verzorgingsmomenten. Je baby ziet vanaf de geboorte al vanaf die afstand. 

    Stappen in de taalontwikkeling

    De eerste geluidjes

    Enkele weken na de geboorte komen de eerste geluidjes. Deze ‘comfortgeluidjes’ ontstaan vanzelf. Een baby maakt deze vooral als hij zich goed voelt.

    Link naar video: Taalontwikkeling: De eerste geluidjes
    Taalontwikkeling: De eerste geluidjes

    Huilen

    Elke baby huilt. Huilen is een manier om te laten merken dat hij iets nodig heeft. Je baby kan op verschillende manieren huilen voor andere redenen: 

    • Heeft je baby pijn, dan huilt hij of zij plots en luidkeels. 
    • Is je baby ziek, dan huilt hij of zij klagend en futloos. 
    • Heeft je baby honger, dan huilt hij of zij eerst zachtjes en geleidelijk aan harder. 

    Als ouder probeer je deze taal te begrijpen, maar dat is niet altijd eenvoudig. Soms blijft je baby huilen, ook al troost je hem of haar.

    Link naar video: Taalontwikkeling: Huilen
    Taalontwikkeling: Huilen

    Tateren

    Vanaf twee à drie maanden begint je baby te tateren. Je baby test alle variaties van toonhoogte en volume, zoals fluisteren en roepen. Je baby maakt alle mogelijke klanken, ook deze die niet in zijn moedertaal voorkomen. Op deze leeftijd maken alle baby’s ter wereld dus dezelfde klanken!

    Link naar video: Taalontwikkeling: Tateren
    Taalontwikkeling: Tateren

    Brabbelen

    Vanaf de zevende maand begint je baby te brabbelen. Hij of zij begint met het herhalen van dezelfde lettergrepen: ‘dadada’, ‘mamama’ en ‘papapa’. Deze klanken hebben nog geen betekenis voor je baby.

    Vanaf nu begint je baby initiatief te nemen om samen te praten. Wanneer je hier op ingaat, ontstaan kleine ‘gesprekjes’. 

    Link naar video: Taalontwikkeling: Brabbelen
    Taalontwikkeling: Brabbelen

    Volop oefenen!

    Tussen acht en twaalf maanden oefent je baby volop met taal. Hij of zij wil al van alles vertellen, ook al zijn het vaak nog onbegrijpelijke woorden en zinnen. Je baby is volop aan het experimenteren met klanken, toonhoogtes, ...

    Link naar video: Taalontwikkeling: Volop oefenen
    Taalontwikkeling: Volop oefenen

    Het eerste woordje

    Rond de leeftijd van 1 jaar komen de eerste woordjes. Niet perfect, maar wel te begrijpen. Het eerste woordje van je baby is iets dat hij of zij waardevol vindt: choco, pop, papa, mama, auto, poes,… 

    Je baby begrijpt al heel veel, bv. 'Kom', 'Geef je muts aan mama', 'Heb je honger?', 'Ga je knuffel nemen',… Je baby kan sneller woorden begrijpen dan dat hij of zij ze zelf gebruikt. 

    Link naar video: Taalontwikkeling: Het eerste woordje
    Taalontwikkeling: Het eerste woordje

    Peuter (15 maanden tot 3 jaar)

    Vanaf 15 maanden spreken we van de peuterfase. Je kind kent en begrijpt al heel wat woorden. Daarom is het belangrijk dat kinderen veel kansen krijgen om zelf te praten. Je kan je kind daar goed bij helpen.

    Veel nieuwe woorden

    Je kind begrijpt steeds meer. Hij of zij kan antwoorden op een vraag en zichzelf duidelijk maken. Je kan je peuter helpen door eenvoudige vragen te stellen, bv: ‘Wat ben je aan het eten?’. Of je kan dingen benoemen, bv: ‘Wat ziet dat er een lekkere appel uit!’.

    Link naar video: Taalontwikkeling: Woordenschatexplosie
    Taalontwikkeling: Woordenschatexplosie

    De eerste zinnen

    Vanaf de leeftijd van 18 maanden begint je peuter zinnen te maken. Hij of zij start met twee-woordzinnen, bv: ‘Fietsje rijden’ of ‘Appel eten’. Je peuter leert nu ook heel veel nieuwe woorden, op korte tijd. Je peuter leert dat alles een naam heeft. Hij of zij leert zich alsmaar beter uitdrukken en stelt vragen aan iedereen rondom hem of haar. Door deze gesprekken leert je kind enorm veel woorden bij.

    Link naar video: Taalontwikkeling: De eerste zinnen
    Taalontwikkeling: De eerste zinnen

    Langere zinnen

    Tussen de leeftijd van 2 en 3 jaar worden de zinnen van je peuter langer. Hij of zij gaat ook meer en meer verschillende woorden gebruiken. 

    Rond de leeftijd van 3 jaar maakt je kind zinnen van drie tot vijf woorden. 

    Link naar video: Taalontwikkeling: Langere zinnen
    Taalontwikkeling: Langere zinnen

    Kleuter (3 tot 6 jaar)

    De taalontwikkeling van je kind is enorm geëvolueerd. Maar je kleuter leert nog altijd heel veel bij. Vooral door de hele dag spontane gesprekken te voeren. Bijvoorbeeld tijdens het samen eten, terwijl je onderweg bent naar school, tijdens het wassen en aankleden, voor het slapengaan,… 

    De gesprekken zijn heel anders dan met een baby. Je kleuter kent en begrijpt veel meer woorden, kan verbanden leggen, vertelt hele verhalen,… 

    Zinnen van drie tot vijf woorden

    Als je kind drie jaar is, leert hij langere zinnen maken. Hij leert werkwoorden en meervouden gebruiken. Het is normaal dat hij nog fouten maakt. Belangrijk is om niet te corrigeren, maar om wat hij vertelde, correct te herhalen, bv. 3 jarige: ‘Ik heb een appel ge-eet’. Papa: ‘Mmmm, ja, je hebt een appel gegeten!’

    Link naar video: Taalontwikkeling: Zinnen van 3 tot 5 woorden
    Taalontwikkeling: Zinnen van 3 tot 5 woorden

    Verstaanbaar praten

    Je begrijpt op deze leeftijd meer en meer wat je kleuter zegt. Het meeste van wat je kind vertelt, is verstaanbaar voor mensen die hem of haar niet kennen. Je kind kan vertellen over dingen die in het verleden gebeurd zijn en dingen die niet in zijn buurt zijn. Hij of zij vertelt thuis bijvoorbeeld over een vriendje van op school.